HR 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2001
Witwassen, art. 420bis Sr. HR herhaalt ECLI:NL:HR:2013:150 m.b.t. verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen verkregen uit eigen misdrijf. Deze rechtsregels hebben slechts betrekking op het geval dat verdachte voorwerpen heeft verworven of voorhanden heeft gehad, terwijl aannemelijk is dat die voorwerpen afkomstig zijn uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Uit het pv ttz in h.b. noch uit de aan dat pv ttz gehechte pleitaantekeningen blijkt dat door of namens verdachte is aangevoerd dat het aangetroffen geldbedrag afkomstig is uit eigen misdrijf, terwijl uit de door het Hof gebezigde bewijsvoering evenmin rechtstreeks voortvloeit dat aannemelijk is dat het geldbedrag afkomstig is uit een door verdachte zelf begaan misdrijf. Dat betekent dat voormelde nadere motiveringseisen i.c. n.v.t. zijn en dat het middel, dat blijkens de toelichting steunt op de opvatting dat het voorhanden hebben van enig uit misdrijf verkregen goed gericht moet zijn op het uit het zicht houden van dat voorwerp voor politie en justitie, faalt nu die opvatting geen steun vindt in het recht. ’s Hofs oordeel dat het bewezenverklaarde kan worden gekwalificeerd als witwassen, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl