Rb. Zeeland-West-Brabant 31 januari 2014, ECLI:NL:RBZWB:2014:746

Inkomstenbelasting Belanghebbende stelt dat de aanslag dient te worden verminderd tot nihil en beroept zich daarbij, op grond van het gelijkheidsbeginsel, op de belastingvrijstelling voor leden van het koninklijk huis (artikel 40, tweede lid van de Grondwet). De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Belanghebbendes situatie is feitelijk en rechtens niet vergelijkbaar met die van leden van het koninklijk huis. Verder oordeelt de rechtbank, onder verwijzing naar de met de vrijstelling beoogde doelen, dat geen sprake is van een situatie waarin twee ongelijke gevallen onevenredig ongelijk worden behandeld.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen