Conclusie A-G Niessen 18 december 2015, ECLI:NL:PHR:2015:2420

Het geschil in cassatie betreft in hoofdzaak de vraag of belanghebbende op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op de vrijstelling van de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen, zoals die geldt voor (bepaalde) leden van het Koninklijk Huis op grond van artikel 40 van de Grondwet (hierna: Gw). In de loop der tijd zijn in de parlementaire stukken en de literatuur diverse redenen aangevoerd waarom de Koning door zijn functie in een min of meer unieke positie verkeert, althans een die wezenlijk anders is dan die van de overige Nederlanders. Enkele argumenten zijn in of in verband met het wetgevend proces genoemd. Maar voor de vraag of een in de wet gemaakt onderscheid op een toelaatbare grond berust, is niet wezenlijk of er in de parlementaire behandeling uitdrukkelijk een beroep op is gedaan. Naar de mening van de A-G zijn de voornaamste aspecten waarin de bijzondere aard van de functie van de Koning en zijn inkomen naar voren komt, de volgende. Het eerste is een aspect dat verschillende malen in de parlementaire discussie en de literatuur naar voren komt, te weten dat de persoonlijke en zakelijke inkomsten en uitgaven van de Koning door de aard van zijn functie niet of nauwelijks van elkaar kunnen worden onderscheiden. Het tweede betreft de uitkering die de Koning geniet ingevolge de WFSKH en de condities waaronder deze wordt verleend. De wettelijke regeling is van dien aard dat niet helder is hoe de uitkering moet worden ingepast in de bronnen van inkomsten die de dogmatiek van de inkomstenbelasting onderscheidt. De A-G volstaat met de notie dat de inkomsten die belanghebbende geniet, in elk geval van heel andere aard zijn. De regeling van de zojuist genoemde wet hangt nauw samen met die van artikel 40 van de Gw. De aan de Koning toegekende uitkering is bedoeld en becijferd als een netto-uitkering. Zij moet de voor de goede vervulling van het Koningschap noodzakelijk dan wel wenselijk geachte uitgaven dekken. Dit betekent dat de uitkering wezenlijk verschilt van alle inkomsten die andere burgers genieten voor zover deze het belastingvrije minimum overtreffen. De wetgever gaat immers ervan uit dat de andere burgers uit hun inkomen middelen kunnen afzonderen voor de betaling van belasting. Hun inkomen is dus, om zo te zeggen, niet netto maar bruto. Bij de vormgeving van de vrijstelling van artikel 40 van de Gw heeft de wetgever aan het vorenstaande gestalte gegeven. De vrijstelling is immers beperkt tot de inkomsten en vermogensbestanddelen die nadrukkelijk verbonden zijn met de uitoefening van het Koningschap. Het zuivere privéinkomen en -vermogen is niet vrijgesteld. Naar de mening van de A-G heeft belanghebbende dus ongelijk. Hij heeft er wel recht op voor de inkomstenbelasting op gelijke wijze te worden behandeld als de Koning, maar dat geldt alleen voor zover hij in dezelfde situatie verkeert als de Koning. Aan die voorwaarde is, rechtens en feitelijk, niet voldaan. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende niet tot cassatie kan leiden en dus ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken