Hof 's-Hertogenbosch 7 mei 2015, ECLI:NL:GHSHE:2015:1663
Belanghebbende heeft box 1 inkomen uit werkzaamheden als lid van de provinciale staten, als lid van de gemeenteraad en uit een fiscale adviespraktijk. Daarnaast heeft hij inkomen in box 2, te weten regulier voordeel uit aanmerkelijk belang. In geschil is of hij op grond van het gelijkheidsbeginsel recht heeft op vrijstelling van de heffing van inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor dit box 1 en box 2 inkomen. Belanghebbende redeneert als volgt: de Grondwet geeft aan bepaalde leden van het Koninklijk Huis een vrijstelling van persoonlijke belastingen voor bepaalde soorten inkomen en vermogen. Omdat belang¬heb¬bende in fiscaal opzicht gelijk is aan deze koninklijke hoogheden, heeft ook hij recht op vrijstelling van persoonlijke belastingen. Het Hof verwerpt belanghebbendes beroep. De door belanghebbende gestelde ongelijke behandeling wordt in het leven geroepen door artikel 40, lid 2, van de Grondwet, dat wil zeggen: door een wet in formele zin. De wetgever heeft de vrijstelling van artikel 40 van de Grondwet in het leven geroepen en in de loop der jaren gehandhaafd. Hieruit kan worden afgeleid dat naar de mening van de wetgever artikel 40 van de Grondwet geen inbreuk maakt op het gelijkheidsbeginsel; de aangewezen leden van het Koninklijk Huis zijn in de ogen van de wetgever, voor wat betreft de omschreven inkomens- en vermogens¬bestand¬delen, niet gelijk aan de overige inwoners van Nederland. De rechter dient in de Nederlandse staatsrechtelijke verhoudingen het oordeel van de wetgever te eerbiedigen. Toepassing aan internationale verdragen brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Die verdragen laten aan de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid, die niet is overschreden. Een soortgelijke redenering geldt voor de vrijstelling van premies volksver¬ze¬keringen. Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.
De uitspraak op rechtspraak.nl