Rb. 's-Hertogenbosch 22 november 2012, ECLI:NL:RBSHE:2012:BY5193

Het betreft een handhavingsbesluit van GS inzake een overtreding van artikel 2.1 eerste lid onder c van de WABO. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de inrichting van verzoekster met een vergunde tijdelijke opslag van asbestvezels (gevaarlijke afvalstoffen) geen Gpbv-installatie omvat. Zie ook ABRvS 30 november 2011, LJN: BU6376. Uit genoemde uitspraak blijkt niet dat de ABRvS de richtsnoer bij de IPPC-Richtlijn niet bij de beoordeling heeft betrokken. De richtsnoer vertegenwoordigt geen officieel standpunt van de Europese Commissie. Bovendien is het oordeel van de ABRvS gebaseerd op meer recente Europese regelgeving. Er is geen sprake van het oprichten, wijzigen of uitbreiden van een inrichting voor de opslag van schroot, want deze activiteit is al vergund in de milieuvergunning. Pas zodra sprake is van een wijziging of uitbreiding kan een vergunningsplicht ingevolge artikel 2.2a van het Bor ontstaan, op basis waarvan verweerder het bevoegd gezag zou kunnen worden. Bovendien is geen sprake van een mer-beoordelingsplicht en daarom is evenmin sprake van een activiteit als bedoeld in artikel 2.2a, eerste lid van het Bor. Daarom is verweerder slechts mede bevoegd tot handhaving op basis van artikel 6.7, derde lid, van het Bor. Dit betreft slechts een handhavingbevoegdheid voor wat betreft overtredingen van artikel 2.1, eerste lid onder e, van de Wabo. In onderhavig geval is van een dergelijke overtreding geen sprake. Het primaire besluit zal geen stand kunnen houden en wordt geschorst tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen