Rb. 's-Hertogenbosch 20 juli 2011, ECLI:NL:RBSHE:2011:BR2037
Bewezenverklaring van -kort gezegd- het medeplegen van voorbereidingshandelingen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet door het voorhanden hebben van 24 liter safrol, 22 liter BMK en 75 milliliter PMK, waarvan verdachte en/of zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat deze stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit en als marktdeelnemer in vereniging en/of alleen voornoemde stoffen zonder een door de bevoegde instanties afgegeven vergunning in het bezit hebben. Verdachte kan worden aangemerkt als ''marktdeelnemer'' in de zin van de Verordening nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake drugsprecursoren. Ontslag van alle rechtsvervolging ten aanzien van het bestanddeel '''vervoeren'', nu deze handeling niet strafbaar is gesteld in artikel 10a van de Opiumwet. Opgelegd een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek voorarrest waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl