Rb. 's-Gravenhage 3 augustus 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BX3525
Afgezet tegen het uitgangspunt als neergelegd in artikel 6.5, tweede lid, onder f, Vb 2000, vereist het opleggen van een inreisverbod juist in het geval van een minderjarige een motivering, te meer nu artikel 6.5, vierde lid, Vb 2000 niet imperatief is. Verweerder heeft dat onvoldoende gemotiveerd. In artikel 66a, vierde lid, Vw 2000 is als uitgangspunt neergelegd dat de duur van het inreisverbod ten hoogste vijf jaren bedraagt, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging van de openbare orde. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet gemotiveerd waarom eiser een ernstige bedreiging voor de openbare vormt. Daar komt bij dat in de wet en in het Vb 2000 telkenmale staat dat een inreisverbod voor een duur van “ten hoogste” een aantal jaren kan worden opgelegd. Daaruit volgt dat verweerder ook voor een minder lange duur dan het maximum aantal jaren kan kiezen. Voorafgaand aan de beoordeling of door de vreemdeling aangevoerde en nader onderbouwde bijzondere individuele omstandigheden aanleiding geven tot een kortere duur van het inreisverbod, dient verweerder, afgezet tegen het in artikel 66a, vierde lid, Vw 2000 neergelegde uitgangspunt, de keuze voor een langere duur te motiveren.
De uitspraak op rechtspraak.nl