ABRvS 15 juni 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW9115
Het betoog van de vreemdeling dat de in art. 5.1b, lid 1 Vb 2000 neergelegde criteria zodanig ruim zijn geformuleerd dat toepassing ervan ertoe leidt dat de minister te snel een risico op onderduiken aanneemt, zodat hij vrijwel nooit een termijn voor vrijwillig vertrek aan vreemdelingen zal bieden, en dat deze criteria daarom in strijd zijn met de considerans en het doel van de Terugkeerrichtlijn, slaagt evenmin. Art. 7, lid 4 van de Terugkeerrichtlijn biedt lidstaten de mogelijkheid om, indien een risico op onderduiken bestaat, af te zien van het toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek. Van een risico op onderduiken is volgens art. 3, lid 7 van de Terugkeerrichtlijn sprake, indien in een bepaald geval redenen bestaan, gebaseerd op objectieve, in wetgeving vastgelegde criteria, om aan te nemen dat een onderdaan van een derde land jegens wie een terugkeerprocedure loopt, zich zal onttrekken aan het toezicht. Vorenbedoelde criteria zijn in art. 5.1b, lid 1 van het Vb 2000 neergelegd. De Terugkeerrichtlijn stelt, behoudens het bepaalde in art. 3, lid 7, geen voorwaarden waaraan deze criteria moeten voldoen. Het beroep op het Tijdelijk besluit uitzonderingen Terugkeerrichtlijn kan de vreemdeling niet baten, reeds omdat de mogelijkheid tot het verkorten of onthouden van een vertrektermijn inmiddels, sinds de wijziging van de Vw 2000 van 15 december 2011, in werking getreden op 31 december 2011 (Stb. 2011, 663), in nationale regelgeving is vastgelegd en de Terugkeerrichtlijn er niet aan in de weg staat dat deze bepalingen op de vreemdeling worden toegepast. Met (…) art. 5.1a, lid 1 Vb 2000 is weliswaar beoogd art. 15, lid 1 van de Terugkeerrichtlijn - gedeeltelijk - te implementeren, maar deze bepaling uit het Vb 2000 ziet alleen op bewaring als bedoeld in art. 59 Vw 2000 en niet op een maatregel als bedoeld in art. 6, lid 1 en 2 Vw 2000. Dit neemt niet weg dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2011 in zaak nr. 201108418/1/V4 (LJN: BV0964), een maatregel als bedoeld in art. 6, lid 1 en 2, van de Vw 2000 in ieder geval kan worden opgelegd indien een vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. (…) De vreemdeling heeft (…) getracht zich met behulp van een Guatemalteeks paspoort en bijbehorende identiteit toegang tot Nederland te verschaffen en eerst nadat hem de verdere toegang is geweigerd, heeft hij zich (…) van een andere identiteit bediend en verklaard dat hij Colombiaan is. Reeds op basis van het voorgaande bestaat in beginsel grond voor het oordeel dat de vreemdeling de voorbereiding van de terugkeer of de verwijderingsprocedure ontwijkt of belemmert. Hetgeen de vreemdeling heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een andersluidend oordeel. [Er] bestaat geen grond voor het oordeel dat de benadering van de minister, waarbij - behoudens het geval dat zich omstandigheden als bedoeld in het tweede tot en met zesde lid van art. 6.5a van het Vb 2000 dan wel bijzondere individuele omstandigheden voordoen - een duur van twee jaar aan het inreisverbod wordt verbonden, in strijd is met de tekst of strekking van de Terugkeerrichtlijn. (…) [D]e betrokken vreemdeling [moet] in de gelegenheid (…) worden gesteld om bedoelde individuele omstandigheden, op grond waarvan volgens hem aanleiding zou bestaan voor een verdere verkorting van de duur van het inreisverbod, aan te voeren. Indien de vreemdeling zodanige omstandigheden heeft aangevoerd, zal de minister, indien hij daarin geen aanleiding ziet het inreisverbod verder te verkorten, ingevolge art. 3:46 Awb dit standpunt dienen te motiveren. De minister heeft, (…) nagelaten in het voornemen (…), dan wel op enig ander moment in de bestuurlijke fase, kenbaar te maken dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen geven tot verkorting van de duur van het op te leggen inreisverbod en dat het aan de vreemdeling is dergelijke individuele omstandigheden naar voren te brengen. Voorts heeft de minister de in hoger beroep gegeven motivering voor de duur van het inreisverbod niet in het besluit van (…) kenbaar gemaakt. De Afdeling begrijpt uit (…) de aangevallen uitspraak dat de minister ter zitting in eerste aanleg heeft toegelicht dat hij, in gevallen als hier aan de orde, er standaard voor kiest aan het inreisverbod een duur van twee jaar te verbinden. Gegeven deze toelichting heeft de voorzieningenrechter terecht overwogen dat de minister bij het bepalen van de duur van het inreisverbod van de vreemdeling diens eventuele individuele omstandigheden niet in de beschouwing heeft betrokken.-
De uitspraak op rechtspraak.nl