Rb. 's-Gravenhage 8 december 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BU7642
Grensdetentie – Opvangrichtlijn – lichter middel Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 4 oktober 2011 (LJN: BT7118) komt de rechtbank tot het oordeel dat de Opvangrichtlijn op eisers van toepassing is en dus ook het bepaalde in artikel 7, derde lid, van die richtlijn. Aan het vorenstaande doet niet af dat aan eisers de toegang is geweigerd, zoals eveneens volgt uit de uitspraak van 4 oktober 2011. De Afdeling is aldus in de uitspraak van 4 oktober 2011 kennelijk teruggekomen van het oordeel in de uitspraak van 29 juni 2011 dat de Opvangrichtlijn niet van toepassing is op asielzoekers, aan wie de toegang geweigerd is, zoals eisers. De rechtbank sluit zich daar bij aan. Blijkens de tekst van artikel 7, derde lid, van de Opvangrichtlijn roept deze bepaling een verplichting voor de lidstaten in het leven. Deze bepaling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk, zodat eisers zich daarop kunnen beroepen. Uit de tekst van artikel 7, derde lid, gelezen in samenhang met het bepaalde in het eerste lid, waarin de vrijheid van beweging op het grondgebied van een lidstaat voorop wordt gesteld, volgt dat de lidstaten in elk afzonderlijk geval moeten beoordelen of het nodig is om de vreemdeling op een bepaalde plaats vast te houden. Steun hiervoor levert het op artikel 25 van de Opvangrichtlijn gebaseerde rapport van de Commissie aan de Raad en het Europese Parlement van 26 november 2007 COM(2007)745 final. Daarin is met betrekking tot de toepassing van artikel 7 lid 3 onder meer vermeld: However, given that according to the Directive detention is an exception to the general rule of free movement, which might be used only when "it proves necessary", automatic detention without any evaluation of the situation of the person in question is contrary to the Directive. Overigens is in het voorstel van de Commissie tot wijziging van de Opvangrichtlijn een nieuw artikel 8 ingevoerd waarin is bepaald dat In de gevallen waarin zulks nodig blijkt en op grond van een individuele beoordeling van elk geval, mogen de lidstaten een verzoeker overeenkomstig hun nationale wetgeving op een bepaalde plaats in bewaring houden wanneer andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast . Dit geldt in het voorgestelde nieuwe artikel 8 ook voor situaties waarin de toegang is geweigerd. Verweerder beschikt over verschillende mogelijkheden om ook zonder toepassing van een vrijheidsontnemende maatregel het grensbewakingbelang te dienen, zoals toepassing van een vrijheidsbeperkende maatregel of een meldplicht. Niet is gebleken dat in de onderhavige zaak is gekeken of voor het dienen van het grensbewakingbelang met een ander middel dan de onderhavige vrijheidsontneming kon worden volstaan. Met de enkele verwijzing naar het grensbewakingbelang heeft verweerder dan ook onvoldoende deugdelijk onderbouwd waarom tot oplegging van de grensdetentie kon worden overgegaan.
De uitspraak op rechtspraak.nl