Rb. 's-Gravenhage 4 januari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BR6817
In het kader van de Wet op het primair onderwijs (WPO) is eiseres met het bevoegd gezag van een basisschool overeengekomen nieuwbouw tot stand te brengen op een aan eiseres toebehorend terrein. Na oprichting van het schoolgebouw heeft eiseres aan het bevoegd gezag de volle eigendom van het terrein en het gebouw verkocht. De rechtbank volgt het standpunt van verweerder dat eiseres in dit geval geen recht heeft op aftrek van voorbelasting omdat ter zake van de overdracht van het gebouw en het terrein geen levering in de zin van artikel 3 van de Wet OB heeft plaatsgevonden, echter op een andere grond dan die verweerder daartoe heeft aangevoerd. De rechtbank overweegt daartoe dat artikel 103, tweede lid, van de hier van toepassing zijnde WPO noch enig ander artikel in die wet erin voorziet dat het in dat artikellid bedoelde gebouw en terrein ingevolge een overeenkomst tegen vergoeding aan het bevoegd gezag kunnen worden overgedragen. Nu de overdracht in dit geval rechtstreeks voortvloeit uit de wet, komt aan de door eiseres en het bevoegd gezag gesloten overeenkomst van koop en verkoop geen betekenis toe. Aan de overdracht van het gebouw en terrein ligt derhalve niet een overeenkomst in de zin van artikel 3, eerste lid, onderdeel a, van de Wet OB (tekst 2005) ten grondslag. De rechtbank acht het voorgaande in overeenstemming is met de daarvoor relevante bepalingen in de Zesde richtlijn. De rechtbank concludeert dat geen sprake is van een belastbare levering, nu eiseres afstand heeft gedaan van de vordering tot betaling van de koopprijs en dus geen sprake is van een door de leverancier ontvangen vergoeding die de werkelijke tegenwaarde vormt voor het aan de ontvanger geleverde goed. Eiseres heeft ter zake van de overdracht van het gebouw derhalve niet als ondernemer in de zin van de omzetbelasting gehandeld.
De uitspraak op rechtspraak.nl