Rb. 's-Gravenhage 4 mei 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ8475
Een met artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag overeenkomstige bepaling is inmiddels neergelegd in artikel 12 van de Definitierichtlijn. De Definitierichtlijn is in werking getreden op 9 november 2004. De implementatietermijn is verstreken op 10 oktober 2006. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit in deze zaak, gedateerd 22 juli 2009, is genomen na het verstrijken van de implementatietermijn. Dat betekent dat de Definitierichtlijn rechtstreeks van toepassing is. Het Hof heeft op 9 november 2010 een arrest gewezen over de uitleg van artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn. Gezien het feit dat de uitsluitingsgronden die zijn opgenomen in artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn overeenkomen met artikel 1 F van het Vluchtelingenverdrag, ziet de rechtbank aanleiding om de uitleg die het Hof geeft aan artikel 12, tweede lid, van de Definitierichtlijn, bij de beoordeling van de onderhavige beroepsgrond te betrekken. In het licht van deze overwegingen van het Hof heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet kunnen volstaan met een verwijzing naar het ambtsbericht inzake de Hezb-i-Wahdat van 23 juni 2000, daarbij de mogelijkheid biedend aan eiser om tegenbewijs te leveren. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.
De uitspraak op rechtspraak.nl