ABRvS 29 februari 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV7852

Uit punt 98 van het arrest van 9 november 2010, hiervoor in 2.2.2 weergegeven, volgt dat, uitgaande van de hiervoor in 2.2.3 weergegeven beschrijving van de Hezb-i-Wahdat als een gewelddadige organisatie, een beleid om voor vreemdelingen die bepaalde functies binnen die organisatie hebben bekleed 'personal and knowing participation' aan te nemen, verenigbaar is met artikel 12, tweede lid, van de richtlijn. De rechtbank heeft de omkering van de bewijslast die het door de minister gevoerde beleid met zich brengt dan ook ten onrechte op voorhand in strijd met die bepaling geacht. De klacht is in zoverre terecht voorgedragen. Gelet op het volgende kan de grief echter niet tot het ermee beoogde doel leiden. (…) Uit het ambtsbericht, hiervoor in 2.2.3 weergegeven, volgt niet dat iedere persoon met de rang van commandant, ongeacht de inhoud van zijn functie, verantwoordelijk kan worden gehouden voor mensenrechtenschendingen. Het ambtsbericht beschrijft de voor mensenrechtenschendingen verantwoordelijke commandanten immers als leidinggevenden van een militie. Reeds nu de minister zich in het besluit van 22 juli 2009 niet op het standpunt heeft gesteld dat de vreemdeling leidinggevende van een militie is geweest, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen