Rb. 's-Gravenhage 10 juni 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ7727
Uit de stukken kan genoegzaam worden afgeleid dat eiser na heenzending uit het strafrechtelijk traject om 14.30 uur een maatregel van ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 is opgelegd die heeft voortgeduurd tot de inbewaringstelling van eiser om 18.49 uur. Niet valt in te zien dat de maatregel van ophouding eindigt zodra een vreemdeling wordt overgebracht naar een plaats bestemd voor verhoor. Artikel 50, tweede lid, van de Vw 2000 biedt de grondslag voor zowel de overbrenging naar een plaats voor verhoor als de ophouding en verschaft derhalve de rechtstitel op grond waarvan eiser van 14.30 uur tot 18.49 uur van zijn vrijheid is ontnomen. Eiser stelt de Duitse nationaliteit te bezitten. Hij heeft geen identiteitsdocumenten overgelegd. Het is aan de vreemdeling om zijn gestelde identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie aannemelijk te maken. Indien en zolang de vreemdeling geen documenten overlegt of anderszins ondubbelzinnig bewijst dat hij een EU-onderdaan is, komen de gevolgen hiervan voor zijn rekening en risico. Voor zover het ervoor moet worden gehouden dat er bij de consulaire vertegenwoordiging geen mededeling is gedaan van de inbewaringstelling van eiser, overweegt de rechtbank dat schending van het recht op consulaire bijstand de inbewaringstelling eerst onrechtmatig maakt, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Gelet op de gronden van de maatregel, de omstandigheid dat op 19 mei 2011 opnieuw met eiser is gesproken over het contacteren van de Duitse vertegenwoordiging en de omstandigheid dat eiser hierop heeft aangegeven geen contact te willen met de Duitse vertegenwoordiging, is naar het oordeel van de rechtbank van een dergelijke onevenredigheid geen sprake.
De uitspraak op rechtspraak.nl