Rb. 's-Gravenhage 31 maart 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BQ0453

Prejudiciële vragen / Aanvraag om verlening van een mvv, voor verblijf bij echtgenoot / basisexamen inburgering buitenland/ Artikel 7 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (Gezinsherenigingsrichtlijn) / artikel 16, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000 In geschil is de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor een mvv omdat is gebleken, noch aangetoond dat zij het basisexamen inburgering buitenland met goed gevolg heeft afgelegd dan wel voor vrijstelling daarvan in aanmerking komt. Eiseres voert aan dat artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, onjuist is omgezet in de Nederlandse wetgeving. De rechtbank stelt vast dat de bewoordingen van het tweede lid duidelijk, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig zijn, zodat eiseres daarop rechtstreeks een beroep kan doen. Voor zover voormeld artikel aan de lidstaten een beoordelingsmarge toekent, sluit dat niet uit dat de nationale rechter kan toetsen of de grenzen van deze beoordelingsmarge zijn overschreden (arrest van het Hof van 1 februari 1977, 51/76, Jur. 1977, LJN: AX3232). Alvorens aan de beoordeling van de vraag toe te komen of verweerder op inhoudelijke gronden de mvv aan eiseres heeft mogen weigeren, ziet de rechtbank zich daarom voor de vraag gesteld of de nationale regelgeving, zoals door verweerder toegepast, verenigbaar is met artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. In eerdergenoemd arrest van het Hof van 4 maart 2010, Chakroun, betreffende artikel 7, eerste lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn, heeft het Hof overwogen: “Aangezien gezinshereniging de algemene regel is, dient de bevoegdheid in artikel 7, lid 1, aanhef en sub c, van de richtlijn strikt te worden uitgelegd. Bovendien mogen de lidstaten hun handelingsvrijheid niet zo gebruiken dat afbreuk wordt gedaan aan het doel van de richtlijn, namelijk de bevordering van gezinshereniging, en aan het nuttig effect daarvan.” De rechtbank is van oordeel dat deze overweging eveneens geldt voor het tweede lid van artikel 7 van de Gezinsherenigingsrichtlijn. De vraag is dan ook of het Nederlandse beleid om gezinsleden van derdelanders te verplichten eerst in het buitenland het basisexamen inburgering af te leggen alvorens naar Nederland te kunnen komen, de Gezinsherenigingsrichtlijn niet te strikt uitlegt en afbreuk doet aan dit doel en nuttig effect van de richtlijn. Uit de in rechtsoverweging 2.2.7 genoemde MvT blijkt dat het doel van verweerder voor het stellen van het inburgeringsvereiste is dat van de nieuwkomer, aan wie kansen worden geboden in Nederland, inspanning en bijdragen aan de Nederlandse samenleving mogen worden verwacht. Voorts is integratie van nieuwkomers een langdurig proces, hetgeen er, blijkens de MvT, voor pleit het integratieproces reeds in het buitenland te laten aanvangen. De vraag is evenwel of van een gezinslid van een gezinshereniger mag worden verlangd dat hij of zij slaagt voor een inburgeringsexamen in het buitenland. De rechtbank acht daarbij van belang dat in andere taalversies van de Gezinsherenigingsrichtlijn niet wordt gesproken over ‘integratievoorwaarden’, zoals in de Nederlandstalige versie, maar van ‘inburgeringsmaatregelen’ (integration measures, mésures d’integration, Integrationsmassnahmen). Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat van een gezinslid van de gezinshereniger weliswaar een bepaalde inspanning tot integratie mag worden verlangd, maar dat de eis van het slagen voor een inburgeringsexamen in het buitenland te ver gaat. Uit de zinsnede ‘overeenkomstig het nationale recht’ in artikel 7, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn volgt naar het oordeel van de rechtbank niet op voorhand dat het gestelde inburgeringsvereiste niet in strijd is met deze richtlijn. Voorts acht de rechtbank van belang dat op grond van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn verzoeken om gezinshereniging individueel moeten worden beoordeeld. De vraag is of verweerder hier, met het stellen van het bedoelde inburgeringsvereiste als algemene voorwaarde, voldoende rekening mee houdt. Gelet op het vorenstaande is niet duidelijk of verweerder de door eiseres gevraagde mvv heeft mogen weigeren omdat eiseres niet heeft voldaan aan het bedoelde inburgeringsvereiste. De rechtbank ziet dan ook aanleiding het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vragen: 1. Laat artikel 7, tweede lid van de Gezinsherenigingsrichtlijn toe dat een lidstaat een gezinslid, als bedoeld in artikel 4 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, van een rechtmatig in die lidstaat wonende burger van een derde land, de toegang en verblijf weigert uitsluitend op de grond dat dit gezinslid niet het in de wetgeving van die lidstaat voorgeschreven inburgeringsexamen in het buitenland heeft behaald? 1a. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang dat het gezinslid de moeder is van acht, waarvan zeven minderjarige, rechtmatig in die lidstaat wonende kinderen? 1b. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang of in het land van verblijf voor het gezinslid toegankelijk onderwijs in de taal van die lidstaat beschikbaar is? 1c. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang of het gezinslid gezien zijn of haar vooropleiding en persoonlijke situatie, met name medische problematiek, in staat is binnen afzienbare tijd voor dat examen te slagen? 1d. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang dat geen toetsing plaatsvindt aan de bepalingen in artikel 5, vijfde lid en artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn, artikel 24 van het Handvest of het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel? 1e. Is voor de beantwoording van vraag 1 van belang dat burgers van bepaalde andere derde landen alleen op grond van hun nationaliteit zijn vrijgesteld van de verplichting te slagen voor het inburgeringsexamen in het buitenland?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen