Rb. 's-Gravenhage 12 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BG9517

Reguliere aanvraag / inburgeringsvereiste / middelenvereiste / gezinsherenigingsrichtlijn Inburgeringsvereiste Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling 2 december 2008, nr. 200806120/1 (www.raadvanstate.nl), is de rechtbank van oordeel dat eiseres niet in haar stelling kan worden gevolgd dat verweerder het inburgeringsvereiste niet mag stellen. Wat betreft de inhoudelijke beoordeling van dit vereiste. Ten aanzien van het geconstateerde zeer lage opleidingsniveau overweegt de rechtbank dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van de wettelijke bepalingen over het inburgeringsvereiste naar voren komt dat het ook voor analfabeten in beginsel mogelijk moet worden geacht om het basisexamen inburgering met goed gevolg af te leggen. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat van nieuwkomers alleen mondelinge en geen schriftelijke taalvaardigheid wordt verlangd, zodat het basisexamen in beginsel ook haalbaar is voor mensen met een laag opleidingsniveau. Met het oog hierop heeft verweerder in de door eiseres gestelde lage intellectuele capaciteiten samenhangend met haar zeer lage opleidingsniveau geen aanleiding hoeven zien om haar van het inburgeringsvereiste te ontheffen. Voor het overige blijkt niet uit de medische verklaringen, mede gelet op de aard van de daarin vermelde psychische klachten, dat de lage intellectuele capaciteiten van eiseres het gevolg zouden zijn van een medisch gebrek in de vorm van een verstandelijke handicap , vergelijkbaar met de in de Vc 2000 genoemde voorbeelden blindheid, doofheid en doofstomheid, welk gebrek het voor eiseres blijvend onmogelijk zou maken het inburgeringsexamen af te leggen. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om het inburgeringsvereiste niet tegen te werpen. Middelenvereiste Gezinsherenigingsrichtlijn: aangezien referent tevens de Nederlandse nationaliteit heeft, zodat hij burger van de Unie is, is deze richtlijn – ingevolge artikel 3, derde lid, en jurispurdentie - in het onderhavige geval niet van toepassing is. Eiseres heeft niet betwist dat referent niet voldoet aan de 120%-norm. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiseres niet heeft aangetoond dat er sprake is van blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid van referent. De toekenning van een WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35% impliceert immers slechts een gedeeltelijke en geen volledige arbeidsongeschiktheid. De stelling van eiseres dat referent vanwege zijn gezondheid praktisch gezien volledig arbeidsongeschikt is, heeft verweerder, daargelaten dat deze stelling niet met bewijs is gestaafd, niet hoeven te nopen tot een ander oordeel. Voorts heeft verweerder zich eveneens op goede gronden op het standpunt gesteld, dat eiseres niet heeft aangetoond dat referent is vrijgesteld van de sollicitatieplicht. De rechtbank laat dan nog daar dat evenmin is aangetoond, zoals in verweerders beleid is uitgewerkt, dat de genoemde vrijstelling reeds gedurende een relevant aantal jaren is verleend en dat in die situatie naar verwachting binnen afzienbare tijd geen verandering zal komen. Beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen