Rb. 's-Gravenhage 13 april 2010, ECLI:NL:RBSGR:2010:BM5561
Aan eiser is door zijn werkgever een lease-auto ter beschikking gesteld. In verband daarmee is in de aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2008 een bijtelling van 25% van de catalogusprijs van die auto begrepen. In geschil is of die bijtelling terecht is. Eiser meent dat de regeling ter zake van de bijtelling voor het privégebruik van de door de werkgever ter beschikking gestelde auto zoals die luidt met ingang van 2008 in strijd is met het (internationale) discriminatieverbod, omdat de hoogte van de bijtelling afhankelijk is gesteld van het gehalte aan CO2-uitstoot van de auto. Rechtbank Den Haag overweegt dat de wetgever op fiscaal gebied een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het beantwoorden van de vraag of gevallen als gelijk moeten worden beschouwd, en zo ja, of een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om die gevallen verschillend te behandelen. De rechtbank overweegt vervolgens dat de wetgever bij de keuze voor een gedifferentieerd percentage naar CO2-uistoot in redelijkheid belang heeft kunnen hechten aan haar doelstellingen het milieu te beschermen. Voorts heeft de wetgever daarbij in redelijkheid kunnen aanhaken bij de CO2-uitstoot van auto’s, te meer nu daarvoor kon worden aansloten bij een reeds bestaande EG-richtlijn die voorzag in een relatief eenvoudig aan te brengen onderscheid en toetsingskader. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de wetgever deze uitgangspunten in redelijkheid mogen hanteren. De wetgever heeft derhalve, zo al sprake is van gelijke gevallen, zijn ruime beoordelingsvrijheid niet overschreden door voor minder milieu belastende auto’s een lagere bijtelling (14%) te hanteren dan voor minder milieuvriendelijke auto’s (25%). Het beroep van eiser is ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl