Conclusie A-G Niessen 19 november 2013, ECLI:NL:PHR:2013:1464

Belanghebbende heeft van zijn werkgever een auto ter beschikking gekregen. In geschil is of terecht en -zo ja- tot het juiste bedrag een voordeel wegens het voor privédoeleinden ter beschikking staan van de auto in aanmerking is genomen. Belanghebbende meent dat het de wetgever niet vrij staat om een gedelegeerde bevoegdheid zonder restrictie zelf uit te oefenen. Voorts leidt de wijze waarop het bijtellingspercentage wordt vastgesteld tot een ongeoorloofde ongelijke behandeling, waarvoor geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. Het Hof heeft overwogen dat de omstandigheid dat vóór de invoering van artikel 13bis van de Wet LB reeds in artikel 13, tweede lid, van de Wet LB voorzien was in de mogelijkheid bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de waardering van niet in geld genoten loon, geenszins meebrengt dat het de formele wetgever niet meer vrij stond waarderingsregels als vervat in artikel 13bis van de Wet LB in de wet op te nemen. Voorts heeft de wetgever zonder overschrijding van de beoordelingsvrijheid kunnen menen er dat een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat om het gebruik van een minder milieubelastende auto te stimuleren. A-G Niessen concludeert dat in het bestuursrecht bij delegatie de delegans de bevoegdheid niet meer zelf kan uitoefenen (art. 10:17 Awb). Voor het staatsrecht gaat dit niet echter niet op. De formele wetgever kan een gedelegeerde regelgevende bevoegdheid ook weer zelf uitoefenen, zonder dat de delegatiebepaling herroepen wordt, of zonder dat daartoe uitdrukkelijk een voorbehoud is gemaakt. Uitoefening van de gedelegeerde bevoegdheid door de delegans is ook wetgeving. Is deze wetgeving aan de delegatie posterieur, dan zal zij moeten worden beschouwd als een stilzwijgende intrekking of beperking daarvan. Bovendien kan de rechter toch niet de mogelijkheid bieden om in een voorkomend geval een in strijd met de eerder verleende delegatie tot stand gebrachte wetgeving onverbindend te verklaren, aangezien de rechter deze macht nu eenmaal in het Nederlandse constitutionele bestel niet toekomt. De klachten van belanghebbende, ter zake van de wijze waarop het bijtellingspercentage wordt vastgesteld, falen eveneens. Ook zijn de onderscheiden naar gelang van de gebruikte brandstof en de mate van CO2 uitstoot niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel. De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken