Rb. 's-Gravenhage 12 januari 2009, ECLI:NL:RBSGR:2009:BH0279

Bewaring, niet gehoord voor de inbewaringstelling, niet gewezen op het recht op consulaire bijstand Eiser is van mening dat hij –gelet op artikel 5.2, eerste lid, Vb 2000- ten onrechte niet is gehoord voordat hij in bewaring is gesteld. Naar zijn mening is er ook geen sprake geweest van de situatie zoals bedoeld in het tweede lid onder b van artikel 5.2, Vb 2000, nu het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor wel degelijk had kunnen plaatsvinden tijdens de ophouding. De termijn van de ophouding had immers kunnen worden verlengd op grond van het bepaalde in artikel 50, vierde lid, Vw 2000. De rechtbank wijst er op dat uit de bewoordingen van het vierde lid van artikel 50 Vw 2000 al blijkt dat de ophouding enkel mag worden verlengd in het belang van het onderzoek. Bovendien blijkt uit de bewoordingen van dit artikellid dat verweerder de bevoegdheid is verleend om de ophouding te verlengen onder de daarin genoemde voorwaarden; dit artikellid behelst evenwel niet de verplichting daartoe voor verweerder. Deze rechtbank, nevenzittingsplaats Alkmaar, heeft in de uitspraak van 14 augustus 2002, JV 2002, 396, geoordeeld dat van de bevoegdheid tot verlenging slechts gebruik mag worden gemaakt indien -ondanks grondig onderzoek- na zes uren ophouding nog steeds geen uitsluitsel is verkregen over de vraag of de opgehouden vreemdeling rechtmatig in Nederland verblijft. Ook in de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Assen, van 9 februari 2004, JV 2004, 220 is geoordeeld dat de toepassing van artikel 50, vierde lid, Vw 2000 dient te worden beperkt tot die gevallen waarin de reguliere onderzoekstermijn van zes uren adequaat is gebruikt en vervolgens onvoldoende is gebleken. De rechtbank overwoog dat hiervan doorgaans slechts sprake is in uitzonderlijke gevallen en dat toepassing van de bevoegdheid om de ophouding te verlengen derhalve een gedegen motivering vergt. De rechtbank stelt vast dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser eerst is gehoord na de inbewaringstelling omdat er niet eerder een tolk Oromo beschikbaar was. Naar het oordeel van de rechtbank kan -gelet op de hiervoor vermelde jurisprudentie- het niet beschikbaar zijn van een tolk in de juiste taal niet worden aangemerkt als een reden om de ophouding te verlengen. Verweerder heeft derhalve -gelet op het bepaalde in artikel 5.2, tweede lid, onder b, Vb 2000 en gelet op het feit dat er gronden voor inbewaringstelling aanwezig waren- eiser in bewaring kunnen stellen voordat hij was gehoord. De bewaring is dan ook niet op deze grond onrechtmatig. Voorts wijst eiser op het feit dat verweerder hem ten onrechte niet heeft gewezen op zijn recht op consulaire bijstand zoals vastgelegd in artikel 36 van het Verdrag van Wenen inzake consulaire betrekkingen. Om deze reden is eiser van mening dat de inbewaringstelling onrechtmatig is. In dit verband verwijst eiser ook naar het bepaalde in artikel 5.5 Vb 2000 en de uitspraken van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Rotterdam van 25 augustus 2008 (LJN BF2116) en nevenzittingsplaats Amsterdam van 7 oktober 2008 (LJN BF 8573). Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat eiser inderdaad niet is gewezen op zijn recht op consulaire bijstand zoals vastgelegd in artikel 36 van voornoemd verdrag. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat deze schending bij de belangenafweging moet worden meegewogen. Hij wijst in dit kader op de gronden waarop eiser in bewaring is gesteld en is van mening dat de belangen van eiser niet doorslaggevend zijn. Uit de stukken blijkt dat de bewaring van eiser mede is gegrond op het feit dat eiser gebruik heeft gemaakt van een vals of vervalst document en dat hij om die reden verdacht wordt van het plegen van een misdrijf. Dit is door eiser niet bestreden. In dit opzicht verschilt de situatie van eiser van de situatie die heeft geleid tot voornoemde uitspraak van de nevenzittingsplaats Amsterdam. Gelet op het feit dat eiser, zonder dat dit bestreden is, mede op grond van criminele antecedenten in bewaring is gesteld, en gelet op het feit dat criminele antecedenten zwaar wegen in de belangenafweging, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval niet kan worden gesteld dat de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen