Rb. 's-Gravenhage 15 juli 2008, ECLI:NL:RBSGR:2008:BD7189

Inburgeringsvereiste in het buitenland in het kader van gezinsvorming/gezinshereniging De rechtbank stelt vast dat artikel 3.13 van het Vb 2000 verplicht tot het verlenen van een verblijfsvergunning onder de beperking gezinshereniging/gezinsvorming indien - voor zover hier relevant - wordt voldaan aan de in artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb 2000 bedoelde voorwaarden. Het gaat hier dus om een imperatieve verleningsgrond. Dit in tegenstelling tot artikel 16 van de Vw 2000, waarin facultatieve afwijzingsgronden zijn opgenomen. De rechtbank constateert voorts dat in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb 2000 niet de voorwaarde is opgenomen dat het inburgeringsexamen met goed gevolg is afgelegd. In artikel 3.18 van het Vb 2000 kan die voorwaarde naar het oordeel van de rechtbank evenmin worden gelezen. De imperatieve redactie van artikel 3.13 van het Vb 2000 biedt geen ruimte om het inburgeringsvereiste als voorwaarde te stellen voor de afgifte van een mvv met als doel gezinshereniging of gezinsvorming. Het stelsel van de wet voorziet niet in de mogelijkheid extra verleningsvoorwaarden voor de afgifte van een verblijfsvergunning - en dus van een mvv - te stellen, die niet zijn vermeld in de artikelen 3.16 tot en met 3.22 van het Vb 2000.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen