Rb. 's-Gravenhage 2 maart 2007, ECLI:NL:RBSGR:2007:BA0559
Vreemdelingenbewaring / detentieboot / toetsing regime / 6-maandenbrief verweerder De rechtbank ziet evenmin aanleiding de voortduring van de bewaring onrechtmatig te achten in verband met het feit dat de vreemdeling meer dan zes maanden op de Detentieboot Reno verblijft. Zij overweegt daartoe dat de rechtmatigheid van de uitvoering van de maatregel van bewaring in een huis van bewaring c.q. een als zodanig aangewezen inrichting niet ter beoordeling van de bewaringsrechter staat. Verwezen wordt naar de jurisprudentie van de ABRS, onder meer de uitspraak van 3 april 2006 (LJN: AW1769), waarin de ABRS heeft overwogen dat de rechtbank zich bij de beoordeling van de tenuitvoerlegging van de bewaring in de zin van artikel 94, vierde lid Vw 2000, dient te beperken tot een oordeel over de aanwijzing van de plaats of ruimte voor de uitvoering van de bewaring in het licht van het daar geldende regime. [..] Zoals uit het volgende blijkt volgt de rechtbank voorts niet de uitspraak van deze rechtbank, nevenzittingsplaats Utrecht, van 1 februari 2007. [..] Ter zitting heeft verweerder uiteengezet dat volgens de uitspraak in Kort Geding de bewaring langer dan zes maanden op een van de detentieboten ten uitvoer kan worden gelegd indien de vreemdeling onvoldoende medewerking heeft verleend. Na de uitspraak in Kort Geding heeft verweerder de dossiers van alle op dat moment op een detentieboot in bewaring verblijvende vreemdelingen bekeken en in die gevallen waar naar zijn mening bij het bereiken van de zesmaandentermijn sprake was van frustratie van de uitzetting door de vreemdeling aan die vreemdelingen een brief met bovenstaande inhoud gestuurd. Deze brief dient slechts ter informatie van de vreemdeling ten aanzien van zijn rechten. Dat in het onderhavige geval aan de vreemdeling niet een dergelijke brief is gezonden, maakt naar de mening van verweerder de bewaring op een detentieboot niet onrechtmatig, nu vaststaat dat de vreemdeling zijn uitzetting frustreert. De rechtbank volgt verweerder in deze stelling. Uit de bewoordingen van de brief maakt de rechtbank op dat deze brief dient te worden opgevat als een feitelijke mededeling aan de vreemdeling waarin deze op zijn rechten wordt gewezen. De vreemdeling wordt er in de brief op gewezen dat verweerder van mening is dat hij de voortduring van de bewaring op een detentieboot gerechtvaardigd acht, hetzij vanwege het feit dat de rechtbank reeds in het kader van de zes maanden toetsing heeft geoordeeld dat sprake is van frustreren van de uitzetting, hetzij omdat verweerder die mening is toegedaan. De vreemdeling wordt vervolgens gewezen op zijn recht om tegen de voortduring van de bewaring een beroepschrift in te dienen bij de rechtbank. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zijn standpunt dat het voortduren van de bewaring op de detentieboot gerechtvaardigd is omdat de vreemdeling zijn uitzetting frustreert, niet in een besluit in de zin van een voor beroep vatbare beslissing zoals bedoeld in rechtsoverweging 2.12 van de uitspraak van 1 februari 2007 behoeft neer te leggen. De vreemdeling heeft zo lang de maatregel voortduurt immers te allen tijde de mogelijkheid om door het instellen van beroep, als bedoeld in artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000, het handelen van verweerder door de rechtbank te laten toetsen. Hiernaast kan de vreemdeling op de voet van artikel 18 van de Penitentiaire beginselenwet bij een als zodanig aangewezen selectiefunctionaris het verzoek doen om de tenuitvoerlegging van de bewaring op een andere locatie te doen plaatsvinden. Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat in het onderhavige geval de desbetreffende brief niet aan de vreemdeling is gezonden, niet kan leiden tot de conclusie dat de vreemdeling hierdoor in zijn belangen is geschaad. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl