Rb. Rotterdam 20 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:2808
Wet Dieren; Bestuurlijke boete. Het rapport van bevindingen waarop de boete is gebaseerd biedt volgens de rechtbank onvoldoende basis voor de conclusie dat de pluimveehouder geen passende maatregelen heeft genomen met betrekking tot het verbeteren van het dierenwelzijn. In het rapport staat geen concrete omschrijving van de wijze waarop is geconstateerd dat bij 99 dieren sprake is van een voetzoollaesie klasse 2 en ook over de gevolgde werkwijze is het rapport summier. Daarbij heeft de pluimveehouder de uitkomst van de tellingen betwist en hierbij gewezen op een rapport van de tellingen van het slachthuis. Hoewel de controles van de toezichthouder en het slachthuis verschillen, is het verschil in uitkomst tussen beide tellingen zeer groot. Mede gelet op het summiere rapport bestaat er daarom in dit geval te veel twijfel over de vraag of de controle door de toezichthouder representatief is voor de dierenwelzijnsomstandigheden in de stal. De boete kan daarom geen stand houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl