Rb. Rotterdam 4 oktober 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:9157

De Nederlandsche Bank N.V. (DNB) brengt bij onder toezicht staande personen jaarlijks de voor dat jaar begrote kosten van haar toezicht in rekening. Dit doet DNB sinds 2020 ook bij cryptodienstverleners. Meerdere cryptodienstverleners zijn het hier niet mee eens en hebben bij de rechtbank beroep ingesteld tegen de bij hen over het jaar 2020 en het jaar 2021 in rekening gebrachte toezichtkosten. Deze uitspraak ziet op de toezichtkosten over het jaar 2021. De uitspraak over de toezichtkosten over het jaar 2020 is te vinden onder: ECLI:NL:RBROT:2023:9153 De rechtbank volgt de cryptodienstverleners in hun standpunt dat de wijze waarop DNB registratieverzoeken beoordeelt in strijd is met de reikwijdte van de door de Europese wetgever in de gewijzigde vierde anti-witwasrichtlijn (AMLD5) neergelegde registratieplicht voor cryptodienstverleners. De kosten van de werkzaamheden van DNB in het kader van de registratieverzoeken die buiten deze reikwijdte vallen, zijn in 2021 ten onrechte aan de cryptodienstverleners doorbelast. De beroepen zijn gegrond. Omdat het rechtmatig in rekening brengen van de toezichtkosten over het jaar 2021 bij de cryptodienstverleners op grond van de thans geldende regelgeving niet mogelijk is, heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien en de besluiten van DNB waarbij zij de toezichtkosten over dit jaar bij de cryptodienstverleners in rekening heeft gebracht, herroepen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken