Rb. Rotterdam 7 februari 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:817
Naar vaste rechtspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is de beslissing op een verzoek om een voorlopige voorziening tijdens de bezwaarprocedure in beginsel bedoeld om te gelden totdat op het bezwaar is beslist en – wanneer vervolgens beroep wordt ingesteld – de rechtbank op dat beroep heeft beslist. (...) De voorzieningenrechter is van oordeel dat geen sprake is van ernstige onvolkomenheden in haar eerdere uitspraak en evenmin van een belangrijke wijziging van de relevante feiten en omstandigheden. Hieronder legt de voorzieningenrechter uit waarom deze uitzonderingen zich hier niet voordoen. (...) Het komt er dus op neer dat de oorspronkelijke last op dit punt het meest verstrekkend is, dat die is vervangen door een minder verstrekkend lastonderdeel en dat de voorzieningenrechter ook dit aangepaste onderdeel nog te verstrekkend vond. Door in het dictum te bepalen op welke wijze verzoekster de deelnemers kon informeren is de voorzieningenrechter niet buiten het geschil of buiten haar bevoegdheid getreden, want met die uitspraak wordt bij wijze van voorlopige voorziening een minder vergaande informatieplicht aan verzoekster opgelegd dan waartoe de besluitvorming van de ACM strekte. Met de ACM is de voorzieningenrechter ten slotte van oordeel dat duidelijk voor verzoekster had moeten zijn dat de maatregel inhoudt dat zij actief de deelnemers (per brief of e-mail) had moeten berichten over de gewijzigde algemene voorwaarden. Een pop-up bericht op haar website, dat eerst verschijnt nadat de deelnemer zelf – al dan niet naar aanleiding van een push-bericht van verzoekster – heeft ingelogd op de website van verzoekster, volstaat dus niet. Dit zou ook niet hebben volstaan ter voldoening aan het oorspronkelijke en gewijzigde slotgedeelte van randnummer 93 van de lastoplegging.
De uitspraak op rechtspraak.nl