Rb. Rotterdam 16 juli 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:6815

artikel 6, tweede lid, van het EVRM artikel 1:2 van de Awb artikel 4:84 van de Awb artikel 28 van de Wjsg artikel 35, derde lid, van de Wjsg artikel 36, eerste lid, van de Wjsg paragraaf 3.2.1 van de beleidsregels VOG-NP-RP 2018 (technisch sepot) Het betreft een uitspraak op drie beroepen tegen besluiten van de minister voor rechtsbescherming (de minister) om aanvragen van eiser om afgifte van een verklaring omtrent gedrag (VOG) af te wijzen. De VOG’s zijn aangevraagd voor functies op een basisschool, een kinderopvang en een sportclub. In de justitiële documentatie zijn over eiser zedendelicten bekend, waarvan een zaak heeft geleid tot een onherroepelijke vrijspraak en de andere zaak door het OM is afgedaan met een technisch sepot. Het geschil ziet op de vraag of de minister op grond van artikel 4:84 van de Awb mocht afwijken van zijn beleidsregels. De rechtbank heeft de beroepen gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd, maar bepaalt dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten in stand worden gelaten. In de concrete gevallen had de minister de beoogde werkgevers en de sportclub kunnen aanmerken als rechtstreeks belanghebbende bij het besluit tot al dan niet afgifte van een VOG. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat in de onderhavige gevallen handelen volgens de beleidsregel voor de betreffende organisaties gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen. Het doel van de beleidsregels, dat personen die in aanraking zijn gekomen met justitie vanwege een zedendelict, in principe niet (meer) beroepsmatig of vrijwillig werkzaam kunnen zijn met kwetsbare personen als minderjarige kinderen, kan niet worden bereikt indien de minister ook in dit bijzondere geval zou moeten vasthouden aan het algemene uitgangspunt dat een technisch sepot niet in de beoordeling van een VOG-aanvraag wordt betrokken. Bij een strikte toepassing van de beleidsregel laat de minister door afgifte van de VOG aan eiser, aan de beoogde werkgevers en de sportclub weten dat er niet is gebleken van bezwaren tegen eiser, dit terwijl dit niet blijkt uit het politiedossier. De gevolgen voor de werkgevers en de sportclub zijn naar het oordeel van de rechtbank bij strikte naleving van de beleidsregels onevenredig in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Verweerder mocht daarom in dit bijzondere geval de justitiële gegevens die zijn afgedaan met een technisch sepot in de beoordeling van de VOG-aanvraag betrekken en daarmee afwijken van de beleidsregels.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken