Rb. Rotterdam 20 mei 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:4332

Weigering woningurgentie. Hardheidsclausule. Einduitspraak na tussenuitspraak (ECLI:NL:RBROT:2021:625). Gelet op de aan verweerder gegeven opdracht in de tussenuitspraak en de brief van verweerder van 31 maart 2021 moet worden aangenomen dat voor eiser geen voorliggende voorziening bestaat als bedoeld in de Verordening. Verder heeft verweerder nagelaten om enig onderzoek te doen naar de medische situatie van eiser, die een Wajong-uitkering ontvangt. Verweerder heeft daarentegen volgens zijn brief van 31 maart 2021 eiser tegengeworpen dat hij geen recentere rapportage van een medische deskundige heeft overgelegd. Dit is niet in overeenstemming met wat de rechtbank heeft overwogen in de tussenuitspraak. Voorts heeft verweerder de verklaring van [naam derde] terzijde gelegd. De stelling van verweerder dat die verklaring voorafgaand aan het bestreden besluit had moeten worden ingebracht kan om drie redenen niet worden gevolgd. Ten eerste heeft de rechtbank in de tussenuitspraak overwogen dat verweerder de door hem niet weersproken schriftelijke verklaring van [naam derde] van 13 augustus 2020 niet in enige afweging heeft betrokken. Ten tweede dateert die verklaring van na het bestreden besluit en ten derde – wat daarmee samenhangt – is dat die verklaring juist is opgesteld omdat verweerder eiser eerst bij het bestreden besluit heeft tegengeworpen dat hij een opvangplek bij het Leger des Heils heeft afgeslagen. Gelet op de gedetailleerde verklaring van [naam derde] – die nog immer niet inhoudelijk door verweerder is ontkracht – is de rechtbank van oordeel dat het aannemelijk is dat de geboden opvang bij het Leger des Heils niet geschikt is voor eiser.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken