Rb. Rotterdam 20 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:7256
Gelet op vaste rechtspraak is een jaaropgave van de ontvangen bijstandsuitkering niet meer dan een optelsom van de bedragen die aan eiseres zijn uitgekeerd en is daarom niet op rechtsgevolg gericht. Uit de stukken blijkt dat aan eiseres maandelijks uitkeringsspecificaties zijn verstrekt en dat ook diverse besluiten tot herziening en terugvordering zijn genomen in 2019. Hieruit volgt reeds dat de jaaropgave 2019 niet een handeling in de zin van artikel 79 PW kan vormen, want met die jaaropgave wordt niets gewijzigd in de genomen besluiten en maandelijkse uitkeringsspecificaties. Verweerder heeft bij besluit 2 overwogen dat eiseres geen nieuw gebleken feiten of gewijzigde omstandigheden heeft aangevoerd, omdat een jaaropgave niet een dergelijk novum oplevert. Verweerder heeft daarmee de aanvraag afgedaan met toepassing van artikel 4:6 lid 2 Awb. De rechtbank ziet aanleiding om het beroep tegen besluit 2 naar verweerder te verwijzen ter behandeling als bezwaar (artikel 6:20 lid 4 Awb). Daartoe wordt overwogen dat verweerder in de heroverweging de vrijheid toekomt om binnen of buiten het beoordelingskader van artikel 4:6 Awb te treden, dat niet kan worden uitgesloten dat eiseres in bezwaar met een nadere onderbouwing komt waarom zij meent dat over 2019 onder aftrek van inkomsten te weinig bijstand is verstrekt en dat bij onverkorte toepassing van artikel 4:6 Awb nog een aanvullende toets aan evidente onredelijkheid plaats vindt door de rechter (bijv. ECLI:NL:CRVB:2017:991), op welke toets ook door het bestuursorgaan zelf in bezwaar kan worden geanticipeerd. Op basis hiervan is de rechtbank voorts van oordeel dat de aanvraag niet kennelijk ongegrond is, zodat artikel 4:17 lid 6 Awb niet reeds in de weg staat aan de toekenning van een dwangsom. De rechtbank ziet gelet op artikel 8:55c in verbinding met artikel 8:41a Awb geen aanleiding het beroep tegen de in besluit 2 vervatte dwangsombeslissing naar verweerder te verwijzen om het af te doen als bezwaar (artikel 4:19 lid 2 Awb). De rechtbank zal daarom besluit 2, voor zover daarmee een besluit is genomen als bedoeld in artikel 4:18 Awb, dit in zoverre vernietigen en gelet op het hiernavolgende zelf vaststellen welk bedrag verweerder aan dwangsommen heeft verbeurd.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CRvB 21 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:122
- CBb 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:580
- CRvB 26 maart 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1014
- CRvB 11 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2854
- CRvB 28 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:991
- HR 6 januari 2017, ECLI:NL:HR:2017:1
- CRvB 2 augustus 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:3025
- CRvB 19 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2760
- CRvB 2 februari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:480
- CRvB 24 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1861
- ABRvS 10 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:245
- CRvB 19 februari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC5320
- CRvB 27 maart 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:BA2336