CBb 12 november 2019, ECLI:NL:CBB:2019:580

Appellanten hebben verweerder verzocht handhavend op te treden tegen belanghebbende, die, met ontheffing van verschillende provinciebesturen, in het wild levende ganzen doodt en vangt. Samengevat stellen appellanten dat belanghebbende een mobiel slachthuis exploiteert zonder dat zij beschikt over de daarvoor noodzakelijke erkenning en dat zij de hygiënevoorschriften die op een dergelijke inrichting van toepassing zijn niet naleeft. Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat belanghebbende zich uitsluitend bezighoudt met primaire productie zoals bedoeld in artikel 3, aanhef en sub 2 gelezen in samenhang met sub 17, van Verordening 178/2002. Voor zover appellanten in dit verband hebben betoogd dat het standpunt van verweerder strijdig is met de definitie van jacht in de Vogelrichtlijn en de Wnb, zien zij er aan voorbij dat deze richtlijn en Wnb een geheel andere doelstelling hebben dan de hier aan de orde zijnde levensmiddelenhygiëneregelgeving waarvan appellanten om handhaving verzoeken

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen