Rb. Rotterdam 4 november 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9780

Uit vaste rechtspraak van de CRvB volgt dat uit een oogpunt van rechtsbescherming het naar aanleiding van een besluit binnen de bezwaartermijn indienen van een brief als bezwaarschrift wordt aangemerkt en het buiten die termijn indienen van een brief als een herzieningsverzoek (bijv. ECLI:NL:CRVB:2005:AU1603 en ECLI:NL:CRVB:2005:AT3785). Voorts is in een eerdere uitspraak van de CRvB overwogen dat onherroepelijkheid geen maatstaf vormt voor het kunnen doen van een herzieningsverzoek in de zin van artikel 4:6 Awb, dit in het licht van de mogelijkheden die artikel 6:19 Awb biedt (ECLI:NL:CRVB:1999:AA5103; zie voorts ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8544). Om die reden heeft de griffier het herzieningsbesluit, die ziet op de toepassing van artikel 4:6 Awb, doorgezonden naar de CRvB waar het hoger beroep liep inzake de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen dezelfde handelingen in de zin van artikel 79 Participatiewet als waarop het herzieningsverzoek ziet. Omdat de CRvB het herzieningsbesluit niet heeft aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:19 Awb, zal de rechtbank alsnog uitspraak doen over het beroep niet tijdig beslissen, in welke procedure het herzieningsbesluit moet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 6:20 Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken