Rb. Rotterdam 5 augustus 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6919

Toen eiseres beroep instelde wegens niet tijdig beslissen op de aanvraag om ontheffing van artikel 9 van de PW was de bijstandsuitkering van eiseres reeds met terugwerkende kracht was ingetrokken en liep een aanvraag om uitkering op grond van de IOAW. Dat betekent dat zij ten tijde van het instellen van beroep geen belang meer had bij had bij haar aanvraag om ontheffing van de verplichtingen in het kader van artikel 9 van de Pw. Omdat de aanvraag toen verweerder in gebreke werd gesteld reeds zonder voorwerp was, was verweerder niet langer bevoegd daarop te beslissen. Gelet hierop en omdat verweerder de aanvraag heeft afgewezen omdat eiseres geen bijstandsuitkering meer ontving, begrijpt de rechtbank het afwijzingsbesluit aldus dat verweerder heeft beoogd de aanvraag niet (meer) in behandeling te nemen, omdat hij daartoe niet langer bevoegd was. Voorts heeft verweerder terecht beslist dat geen dwangsom is verschuldigd. Uit artikel 4:17, aanhef en onder c, van de Awb volgt immers dat geen dwangsom is verschuldigd indien de aanvraag kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is. Het beroep voor zover dit is gericht tegen het afwijzingsbesluit en het dwangsombesluit is ongegrond. Geen vergoeding griffierecht en geen proceskostenveroordeling.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken