Rb. Rotterdam 13 juli 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:6079

Eiseres heeft op 1 november 2019 beroep ingesteld wegens het niet tijdig nemen van een besluit op haar aanvraag om bijzondere bijstand in verband met een achterstand in de huurkosten, dit vanwege een dreigende woningontruiming. Dit beroep is prematuur ingesteld. Bij besluit van 20 november 2019 heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Dit is een besluit in de zin van art. 6:20 Awb waartegen het beroep van rechtswege is gericht. Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van verweerder gelet op de voorhanden stukken juist en kan hetgeen door eiseres daartegen is ingebracht hier op voorhand niet aan afdoen, want verweerder heeft de aanvraag aan de hand van het juiste wettelijke kader beoordeeld. In dit verband neemt de rechtbank in aanmerking dat, anders dan eiseres stelt, niet is getoetst aan artikel 35 van de PW, terwijl artikel 49 van de Pw een bijzondere wettelijke bepaling vormt die voorrang heeft boven artikel 16 van de PW, zodat artikel 16 van de Pw niet van toepassing is (bijv. ECLI:NL:CRVB:2007:BB3196 en ECLI:NL:CRVB:2018:1553). Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat het beroep van rechtswege kennelijk ongegrond is.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken