Rb. Rotterdam 23 januari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:424

Verzet tegen onbevoegdverklaring (ECLI:NL:RBROT:2019:6583). Uit het systeem van de wet en uit de rechtspraak volgt dat de rechter die bevoegd is te beslissen over een materieel geschil tevens bevoegd is om uitspraak te doen op een beroep wegens het niet tijdig beslissen over die kwestie en over de verschuldigdheid van een dwangsom in dat verband (vgl. ECLI:NL:HR:2013:1797; ECLI:NL:RVS:2010:BM1041 en ECLI:NL:RVS:2013:BZ0722). Verder volgt uit de artikelen 8:88, eerste lid, en 8:90, eerste lid, van de Awb dat de bestuursrechter die bevoegd is te oordelen over het schadeveroorzakende besluit of het niet tijdig nemen van een besluit, tevens bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding. Dit betekent niet alleen dat de uitspraak waartegen het verzet zich richt juist is, maar ook dat opposant tegen beter weten in blijft volharden in een volstrekt kansloze rechtsgang door verzet aan te tekenen. Uit de proceshouding van opposant, die gelet op de hoeveelheid door hem uitgelokte uitspraken over dit onderwerp (en het daarbij meermaals niet betalen van het verschuldigde griffierecht) tot een onevenredige belasting op de rechtspraak leidt, volgt dat het hem enkel is te doen om geldsommen te incasseren ten koste van de overheid, zonder dat (nog) sprake is van een onderliggend inhoudelijk geschil. De verzetsrechter kan deze proceshouding niet anders kwalificeren dan als misbruik van recht, aan welk leerstuk de bestuursrechter ambtshalve toepassing kan geven omdat dit raakt aan de toegang tot de rechter (ECLI:NL:RVS:2018:291 en ECLI:NL:RVS:2018:1636).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken