Rb. Rotterdam 28 augustus 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6583

Hoewel uit het voorgaande volgt dat volgens het gerechtsbestuur van het Hof geen procedure loopt bij het Hof, terwijl er blijkbaar wel onherroepelijke uitspraken van de Afdeling voorliggen, is het verzoek van eiser om een schadevergoeding op grond van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM niettemin gestoeld op zijn stelling dat het Hof nog immer in gebreke is uitspraken te doen op zijn hoger beroepen. Gelet op die insteek van het verzoek is de rechtbank overeenkomstig artikel 8:91, eerste lid, van de Awb kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het verzoek. Omdat eiser heeft volhard in zijn stelling dat de rechtbank bevoegd is, zal de rechtbank de brief van 3 juli 2019 niet per brief van de griffier doorzenden naar het Hof, maar uitspraak doen. De rechtbank verklaart zich onbevoegd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken