Rb. Rotterdam 7 augustus 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:6323
Veroordeling medewerker containerterminal ECT in de Rotterdamse haven vanwege invoer van ruim 1.100 kilo cocaïne en corruptie. De verdachte heeft in drie gevallen containers via de systemen bevraagd, verplaatst of onttrokken aan Douanecontrole, met het doel de uithaal of ‘switch-methode’ van de cocaïne mogelijk te maken. Ook heeft hij daarop gerichte voorbereidingshandelingen gepleegd en zich laten omkopen. Eis: 9 jaar. Geen onrechtmatige start van het onderzoek. Bewijsoverwegingen ten aanzien van twee van de drie gevallen, de derde heeft de verdachte bekend. Geen direct bewijs van omkoping, maar onverklaarbare contante uitgaven voor bijna twee jaarsalarissen. De verklaring van de verdachte voor deze uitgaven zijn niet of onvoldoende onderbouwd. Handelen onder bedreiging vindt de rechtbank niet aannemelijk. De rechtbank zoekt aansluiting bij soortgelijke zaken. Daarbij weegt mee dat de rol van de verdachte als havenmedewerker essentieel was voor de invoer, maar dat hij de transporten niet organiseerde of betrokken was bij de uithaal of verder vervoer. Bekentenis van één geval lijkt vooral door de heterdaadsituatie te zijn ingegeven en werkt niet strafverminderend. Dit geldt ook voor de gevolgen van het strafbare feit voor zijn omgeving, de media-aandacht en voor zijn artiestenbestaan, nu hij deze aan zijn handelen heeft te danken. Strafverzwarend is het misbruik maken van zijn vertrouwenspositie als havenmedewerker. Vorderingen benadeelde partijen (o.a. werkgever) op alle onderdelen niet-ontvankelijk of afgewezen. Straf: 6 jaar.
De uitspraak op rechtspraak.nl