Rb. Rotterdam 5 maart 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:1673
Bestuurlijke boetes wegens vangletsel. Op het bestuursorgaan rust de bewijslast dat een beboetbare overtreding is begaan, terwijl de belanghebbende gelet op de in artikel 6 lid 2 EVRM neergelegde onschuldpresumptie het voordeel van de twijfel geniet indien niet buiten twijfel is dat de beboetbare overtreding is begaan (ECLI:NL:RVS:2017:1818). De onschuldpresumptie staat er evenwel niet aan in de weg dat een overtreding op basis van bewijsvermoedens wordt vastgesteld (ECLI:NL:HR:2013:63; ECLI:NL:CRVB:2016:1878 en ECLI:NL:CBB:2015:49). Verder geldt het uitgangspunt dat een bestuursorgaan bij de vaststelling van een overtreding in beginsel mag afgaan op de juistheid van de inhoud van een naar waarheid opgemaakt en ondertekend toezichtrapport en de daarin vermelde bevindingen (ECLI:NL:CBB:2018:165). Bij het vangen van het pluimvee hanteert de NVWA sinds jaren de zogenaamde 2%-norm. Deze norm dient ter ondervanging van de omstandigheid dat incidenteel fouten gemaakt kunnen worden. Dit percentage is echter geen wettelijke norm, maar een handhavingsnorm. Bijlage 2 laat de nodige vrijheid aan de dierenarts om naar eigen inzicht het aantal telminuten te bepalen, mits een minimum van tweemaal twee minuten wordt geteld. Aan dat minimum is in dit geval voldaan. De stelling van eiseres dat donkerrode- tot paarsrode bloedingen onvoldoende aanwijzing vormen dat die bloedingen zijn ontstaan bij het vangen voor het transport volgt de rechtbank niet. In tabel 1 bij de Bijlage is bij de kleur donker rood-paars een tijdspanne van 12 uur vermeld. Voorts wijst het letsel er volgens de officiële dierenarts op dat het gaat om vangletsel. Hierdoor is sprake van een weerlegbaar vermoeden dat het letsel is ontstaan bij het vangen. Eiseres heeft geen tegenbewijs geleverd, terwijl het naar het oordeel van de rechtbank niet onmogelijk voor haar is geweest om tegenbewijs te leveren. Aan de suggestie van eiseres ter zitting dat de officiële dierenarts bij schadevaststelling de leverancier zou kunnen bellen, zodat die dan de mogelijkheid heeft een contraexpertise te laten verrichten, gaat de rechtbank voorbij. Met verweerder acht de rechtbank een dergelijke eis niet realistisch. Het bij vaststelling van vangletsel stilleggen van het slachtproces gedurende een of meer uren zou voor de voedselindustrie – waarvan eiseres zelf ook deel uitmaakt – onevenredig grote schade opleveren. NVWA hanteert de interne richtlijn dat 5% de grens vormt om al dan niet direct een boete op te leggen. Deze gedragslijn is – anders dan de ondergrens van 2% vangletsel – niet bekend gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat verweerder door een voor derden niet bekende grens van 5% vangletsel te hanteren, niet op transparante wijze handelt. Omdat blijkbaar bij een eerste overtreding op een later tijdstip dan de overtredingen van eiseres aan een andere pluimveehouder is volstaan met een waarschuwing op grond van intern beleid, is de rechtbank van oordeel dat eiseres uit een oogpunt van gelijkheid en rechtszekerheid ook bij een vergelijkbare eerste overtreding een waarschuwing gegeven had moet worden. Indien verweerder of NVWA had volstaan met een waarschuwing, dan had het in de rede gelegen dat die waarschuwing tegelijk met rapport 1 aan eiseres ter kennis zou zijn gebracht. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder op basis van rapport 2 wel een bestuurlijke boete aan eiseres heeft kunnen opleggen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- CBb 22 januari 2019, ECLI:NL:CBB:2019:30
- ABRvS 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3339
- CBb 29 maart 2018, ECLI:NL:CBB:2018:165
- ABRvS 5 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1818
- ABRvS A-G Keus 12 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1034
- Rb. Amsterdam 21 december 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:9126
- CRvB 1 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1878
- CBb 23 juni 2015, ECLI:NL:CBB:2015:218
- CBb 20 februari 2015, ECLI:NL:CBB:2015:49
- HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63
- CBb 31 mei 2012, ECLI:NL:CBB:2012:BW7462