CBb 29 maart 2022, ECLI:NL:CBB:2022:149

Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad van 22 december 2004 inzake de bescherming van dieren tijdens het vervoer en daarmee samenhangende activiteiten en tot wijziging van de Richtlijnen 64/432/EEG en 93/119/EG en van Verordening (EG) nr. 1255/97 (Verordening (EG) nr. 1/2005) en de daarbij behorende Bijlage I: artikel 3 en 8 Wet dieren: artikel 2.5 en 6.2 Regeling houders van dieren: artikel 4.8 Hoger beroep. Vangletsel bij kuikens. Appellante heeft zes boetes van € 1.500,- en een van € 3.000,- opgelegd gekregen, omdat zij als houder van pluimvee er niet voor zorgde dat de voorschriften met betrekking tot het behandelen van de dieren nageleefd werden. Door het vangen is onnodig pijn en letsel veroorzaakt bij de dieren. Het hoger beroep richt zich uitsluitend tegen het oordeel van de rechtbank dat in voldoende mate vaststaat dat appellante de overtredingen heeft begaan. Hierbij staat wat betreft alle overtredingen ter beoordeling of de door de toezichthouders gebruikte methode om vangletsel vast te stellen deugdelijk is. Daarnaast staat specifiek de vaststelling van de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 ter discussie. Het College is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat appellante de overtredingen in de zaken ROT 18/3247 en ROT 18/3252 heeft begaan. Verweerder was in die zaken dus niet bevoegd om een boete op te leggen. Het College verklaart de hoger beroepen in die zaken gegrond. Met betrekking tot de door verweerder gehanteerde methode voor het vaststellen van vangletsel heeft het College eerder geoordeeld dat er geen aanknopingspunt is voor het oordeel dat deze methode voor het vaststellen van vangletsel niet deugdelijk is en het WUR-rapport is daarin betrokken. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet het College geen aanleiding hierover nu anders te oordelen. Het is voldoende aannemelijk dat als een bloeding donkerrood of paars is en een grootte heeft van 3 cm of meer, die bloeding is ontstaan tijdens het vangen van de kuikens en het laden in de containers. De algemene stelling van appellante dat een substantieel deel van de Nederlandse mannen kleurenblind is en dat uit niets blijkt dat dit bij toezichthoudende dierenartsen anders is, is onvoldoende om aannemelijk te achten dat één of meer van de in deze zaken bij de inspecties betrokken toezichthouders in feite ook kleurenblind waren. Ook gelet op hetgeen verweerder daarover onweersproken naar voren heeft gebracht, gaat het College ervan uit dat de toezichthouders in staat waren om overeenkomstig genoemde methode mede aan de hand van de kleur van de bloeding te beoordelen of sprake was van vangletsel. Ook overigens ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de toezichthouders, die zijn neergelegd in de rapporten van bevindingen. Het College verklaart de hoger beroepen in de overige boetezaken dan ook ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken