Rb. Rotterdam 13 januari 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:334

De SVB heeft afwijzend beslist op het verzoek van eiser om een regularisatieprocedure te starten in het kader van het Rijnvarendenverdrag en Verordening nr. 883/2004 en de Rijnvarendenovereenkomst. Tot 1 mei 2010 is de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan te merken als de voor Nederland bevoegde autoriteit om te beslissen op een verzoek tot regularisatie. De Minister heeft bij brief van 15 december 2016 de door de SVB genomen besluiten bekrachtigd en voor zijn rekening genomen en heeft de Raad van bestuur van de SVB gemachtigd om hem rechtsgeldig te vertegenwoordigen bij de behandeling van het beroep (en hoger beroep). Nu eiser door het bevoegdheidsgebrek niet is benadeeld zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit gebrek geen gevolg worden verbonden voor de geldigheid van het bestreden besluit. Zowel voor als na 1 mei 2010 komt aan de door de Luxemburgse autoriteiten afgegeven E101-verklaring geen bindende werking toe. Verweerder heeft ten onrechte geweigerd om een regularisatieovereenkomst te sluiten. Uit het Rijnvarendenverdrag en Verodening nr. 883/2004, gelezen in samenhang met de Rijnvarendenovereenkomst, volgt niet dat wetenschap van een betrokkene dat hij niet in het bevoegde land premies afdraagt een criterium is voor het wel of niet aangaan van een regularisatieovereenkomst. Het beleid waarop verweerder zich baseert (SB2146) is pas in mei 2014 en dus na het verzoek van eiser, gepubliceerd. Voor eiser was het ten tijde van de premiebetaling en ten tijde van zijn verzoek dus niet kenbaar, en ook niet voorzienbaar, dat een dergelijk criterium voor het afsluiten van een regularisatieovereenkomst van toepassing zou zijn.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken