Rb. Rotterdam 5 april 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:2476
Vaststelling dagloon Zw-uitkering. Correcte toepassing van het Dagloonbesluit werkt ongunstig uit voor eiseres; het leidt tot een dagloon van 50% van het dagloon dat zou gelden indien dit zou (moeten) worden berekend over het loon dat eiseres in de referteperiode heeft verdiend. Uit de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 22 juni 2016 (ECLI:CRVB:2016:2347) lijkt te volgen dat de ongunstige uitwerking er naar het oordeel van de Raad niet toe doet. De rechtbank wijst echter op de uitspraken van 23 november 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BY4335) en 15 april 2004 (ECLI:NL:CRVB:2004:AO9408), waarin is overwogen dat lagere regels buiten toepassing moeten worden gelaten indien een vaststelling van een dagloon op onaanvaardbare wijze afbreuk doet aan de verzekeringsgedachte en aan het beginsel dat het dagloon een redelijke afspiegeling dient te zijn van het welvaartsniveau van een betrokkene (het dervingsbeginsel). De rechtbank is van oordeel dat in dit geval de toepassing van het Dagloonbesluit zodanig ongunstig uitwerkt voor eiseres dat dit leidt tot een dagloon dat niet meer geacht kan worden in overeenstemming te zijn met het dervingsbeginsel. In de hiervoor genoemde uitspraak van 15 april 2004 is ook overwogen dat het in een dergelijk geval toelaatbaar is dat het dagloon rechtstreeks op het dervingsbeginsel wordt gebaseerd. In dit geval is daarvan sprake als niet het loon dat in de referteperiode is genoten, maar het loon dat over de referteperiode is genoten, in aanmerking wordt genomen. Naar het oordeel van de rechtbank biedt artikel 15 van de ZW hiervoor ook ruimte. De rechtbank voorziet zelf in de zaak.
De uitspraak op rechtspraak.nl