Rb. Rotterdam 12 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9659
Artikel 20 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden; Artikel 28 Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen. De verdachte heeft opzettelijk een aanzienlijke hoeveelheid, niet toegelaten gewasbeschermingsmiddelen op de markt gebracht. Het verweer dat geen sprake is van gewasbeschermingsmiddelen als bedoeld in de Verordening wordt verworpen. Gelet op de samenstelling en de verpakking van de middelen en de bij de middelen behorende gebruikersinformatie, is naar het oordeel van de rechtbank de conclusie gerechtvaardigd dat deze middelen geschikt zijn om aan de gebruiker te worden geleverd. Aan de verdachte is opgelegd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaar. De gewasbeschermingsmiddelen die onder de verdachte in beslag zijn genomen, zijn onttrokken aan het verkeer. Daarnaast is als maatregelregel opgelegd, de verplichting tot tenietdoening van hetgeen wederrechtelijk is verricht op grond van artikel 8 en 10 van de Wet economische delicten. De wederrechtelijke verrichting is het op de markt brengen van niet-toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. De tenietdoening is de vernietiging van de gewasbeschermingsmiddelen (door de Staat wegens onttrekking) op kosten van de verdachte. De kosten zijn vastgesteld op € 44.000,--.
De uitspraak op rechtspraak.nl