Art. 28, Toelating voor het op de markt brengen en het gebruik
1. Een gewasbeschermingsmiddel wordt alleen op de markt gebracht of gebruikt wanneer het in de betrokken lidstaat overeenkomstig deze verordening is toegelaten.
2. In afwijking van lid 1 is in de volgende gevallen geen toelating vereist:
a) het gebruik van middelen die uitsluitend één of meer basisstoffen bevatten;
b) het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen voor onderzoeks- of ontwikkelingsdoeleinden overeenkomstig artikel 54;
c) de productie, de opslag of het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een andere lidstaat is bestemd, op voorwaarde dat het middel in die lidstaat is toegelaten en dat de lidstaat van productie, opslag of vervoer inspectievoorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat het gewasbeschermingsmiddel niet op zijn grondgebied wordt gebruikt;
d) de productie, de opslag en het vervoer van een gewasbeschermingsmiddel dat voor gebruik in een derde land is bestemd, op voorwaarde dat de lidstaat van productie, opslag of vervoer inspectievoorschriften heeft vastgesteld om ervoor te zorgen dat het gewasbeschermingsmiddel vanaf zijn grondgebied wordt uitgevoerd;
e) het op de markt brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen waarvoor een vergunning voor parallelhandel volgens artikel 52 is verleend.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:445
- CBb 26 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:440
- Rb. Rotterdam 12 november 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:9659
- Rb. Gelderland 29 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:4074
- Rb. Gelderland 29 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3873
- Rb. Gelderland 29 juni 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:3704
- Conclusie A-G Vellinga 24 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:385
- Conclusie A-G Vellinga 24 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:384
- Hof Den Haag 25 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3538
- CBb 23 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:420