Rb. Rotterdam 16 mei 2014, ECLI:NL:RBROT:2014:3691

Tabakswetboete. Recidive. Hoewel de tekst van de bijlage bij verschillende malen herhaalde overtredingen respectievelijk spreekt van “een soortgelijke overtreding”, “dezelfde overtreding” en “hetzelfde voorschrift”, is de rechtbank van oordeel dat de regelgever ondanks de verschillende woordkeus steeds hetzelfde moet hebben bedoeld. Niet valt immers in te zien dat de regelgever naarmate een (vergelijkbare) overtreding vaker heeft plaatsgevonden een ruimere of engere definitie van (herhaalde) recidive heeft willen hanteren. Omdat de overtredingen van het eerste en vierde lid van artikel 11a van de Tabakswet beide betrekking hebben op het treffen van maatregelen gericht op het voorkomen van hinder of overlast van roken door anderen – in het eerste lid staat dit met zoveel woorden, in het vierde lid wordt verwezen naar artikel 10, eerste lid, van de Tabakswet, waar het eveneens met zoveel woorden staat – is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zodanig nauw samenhangende overtredingen, dat verweerder bevoegd was tot toepassing van de boetetarieven die gelden bij recidive. Voor zowel het verbod neergelegd in het eerste, als dat neergelegd in het vierde lid van artikel 11a van de Tabakswet geldt de facto dat de ondernemer een rookverbod zal moeten handhaven in het horecabedrijf (aldus ook Gerechtshof Arnhem, arrest van 17 juni 2010, ECLI:NL:GHARN:2010:BM8103). Tevens neemt de rechtbank in aanmerking de blijkens de nota van toelichting beoogde afschrikkende werking bij overtreding van het rookverbod door horeca-exploitanten, evenals de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Verhoging strafmaximum overtreding rookverbod Tabakswet (Kamerstukken II 2013/14, 33 738, nr. 3, blz. 1).

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken