Rb. Rotterdam 21 februari 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:BZ3229
Gelet op artikel 11b, eerste lid, van de Tabakswet kwam de minister in beginsel de bevoegdheid toe eiser een bestuurlijke boete op te leggen. Dat eiser van de overtreding geen verwijt valt te maken is de rechtbank niet gebleken. Het relaas van eiser ter zitting dat klanten de deuren naar de biljartzaal telkens met een kruk blokkeren levert naar het oordeel van de rechtbank geen overmachtsituatie op. Omdat, zoals hiervoor is overwogen op eiser als werkgever een resultaatsverplichting rustte, had hij afdoende maatregelen moeten treffen om een einde te maken aan deze praktijk in het café, desnoods door een rookverbod in te stellen in het gehele etablissement of klanten te weren die (telkens) de deuren naar de biljartzaal blokkeren. De minister heeft de boete vastgesteld in overeenstemming met de bijlage als bedoeld in artikel 11b lid 2 en artikel 12c Tabakswet. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de onherroepelijke boete die daarbij in aanmerking is genomen weliswaar € 300 bedroeg en niet het huidige tarief van € 600, maar dat de hoogte van die eerdere boete niet maatgevend kan zijn voor de thans op te leggen boete. Ten tijde van de overtreding op 16 september 2011, golden immers de huidige tarieven en kon eiser derhalve anticiperen op de boetehoogte die zou volgen bij recidive (vgl. EHRM 29 maart 2006, EHRC 2006/62, zaak Achour, punt 59).
De uitspraak op rechtspraak.nl