Rb. Rotterdam 22 maart 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BW0926

AFM heeft haar aan een financiële dienstverlener gerichte besluiten tot afwijzing van zijn verzoek om ontheffing van de vakbekwaamheidseisen (art. 4:9 lid 4 Wft) gehandhaafd, alsmede de intrekking van de vergunning voor het bemiddelen in schadeverzekeringen en een heffing van € 289,58 in verband met het doorlopend toezicht gehandhaafd. Nu het beroep van [A] niet is gericht tegen op het verkrijgen van enige beslissing omtrent ontheffing van vakbekwaamheidseisen als zodanig, moet het beroep tegen de heroverweging wegens het ontbreken van belang niet-ontvankelijk worden verklaard. Met betrekking tot de intrekking van de vergunning overweegt de rechtbank in navolging van eerdere uitspraken tussen [A] en AFM dat de beheeractiviteiten van [A] niet zijn uitgezonderd van art. 2:80 lid 1 Wft. Nu [A] ondanks dat AFM hem daartoe ruimschoots de gelegenheid heeft geboden niet alle benodigde diploma’s heeft behaald heeft AFM in redelijkheid over kunnen gaan tot intrekking van de vergunning. Gelet op het uitgangspunt dat bezwaar en beroep geen schorsende werking hebben ziet de rechtbank in navolging van de voorzieningenrechter geen aanleiding tot opschorting van de afwikkeltermijn. Gelet op de vaste rechtspraak inzake heffingen als de onderhavige en de beperkte hoogte van de heffing, zowel in absolute als relatieve zin, heeft AFM naar het oordeel van de rechtbank toepassing kunnen geven aan art. 7:3 Awb.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen