Rb. Rotterdam 9 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BT2710
AFM heeft de vergunning als bedoeld in artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (hierna: de Wft) ingetrokken. Verzoeker is daarbij een termijn van drie maanden geboden voor het afwikkelen van zijn bestaande activiteiten. AFM stelt zich terecht op het standpunt dat verzoeker een financiëledienstverlener is nu immers vaststaat dat hij het beheer voert voor cliënten over schadeverzekeringen, welk beheer op zichzelf beschouwd, los van mogelijke andere activiteiten, ingevolge de begripsbepalingen van artikel 1:1 Wft is aan te merken als ‘bemiddelen’. Anders dan verzoeker meent, vallen zijn beheeractiviteiten evenmin onder de uitzonderingsbepaling van artikel 1:21 Wft, nu ook naar het oordeel van de voorzieningenrechter de onder a van die bepaling vermelde vijf voorwaarden cumulatief zijn en verzoeker niet heeft bestreden dat hij niet aan alle vijf de voorwaarden voldoet. Anders dan verzoeker meent, valt artikel 4:9 lid 2 Wft niet zo te begrijpen dat hij als alleen werkende, zelfstandige tussenpersoon niet aan de vakbekwaamheidseisen behoeft te voldoen. Gewezen wordt in dit verband op de tweede volzin van het tweede lid, zoals nader uitgewerkt in artikel 6 lid 2, aanhef en onder a, BGfo. De opvatting van verzoeker dat AFM pas rechtmatig tot intrekking van zijn vergunning mag overgaan, nadat in rechte onherroepelijk is geoordeeld dat hij aan de vakbekwaamheidseisen dient te voldoen, miskent het algemeen bestuurrechtelijke uitgangspunt dat aan besluiten onmiddellijke werking toekomt, zoals ook volgt uit artikel 6:16 Awb.
De uitspraak op rechtspraak.nl