Rb. Rotterdam 9 februari 2012, ECLI:NL:RBROT:2012:BV3771
AFM heeft Fortis S.A./N.V. (België) en Fortis N.V. (Nederland) ieder een bestuurlijke boete opgelegd van € 144.000 wegens overtreding van artikel 5:59 lid 1 Wft (oud). Naar het oordeel van de rechtbank is, met betrekking tot de vraag of de informatie omtrent de subprime blootstelling van Fortis koersgevoelige informatie behelsde, maatgevend of openbaarmaking van die informatie een significant effect zou kunnen hebben op de koers van het aandeel Fortis of de daarvan afgeleide financiële instrumenten. Anders dan Fortis meent is niet maatgevend of Fortis zelf de verwachting had dat de subprime blootstelling en de gehanteerde rekenmethode van invloed was op de koers van het aandeel Fortis (het door Fortis genoemde materieel effect). Met AFM is de rechtbank verder van oordeel dat zowel de omvang van de subprime blootstelling als de onderverdeling in de soorten subprime producten die Fortis in belegging had essentiële informatie voor beleggers vormde. Ondersteuning voor het oordeel dat een redelijk handelende belegger waarschijnlijk gebruik zal maken van deze informatie om er zijn beleggingsbeslissingen ten aanzien van het aandeel Fortis of de daarvan afgeleide financiële instrumenten op te baseren kan bovendien worden gevonden in de omstandigheid dat in het analistenrapport van Société Generale van 23 augustus 2007 uitdrukkelijk werd aangegeven dat er behoefte bestond aan (meer) informatie omtrent de subprime blootstelling van Fortis. Het betoog van Fortis dat zij haar subprime portefeuille al langere tijd aanhield en dat er derhalve geen sprake was van een nieuw feit, gaat uit van de onjuiste veronderstelling dat koersgevoelige informatie uitsluitend betrekking kan hebben op nieuwe feiten. Anders dan AFM is de rechtbank van oordeel dat de vraag of sprake is van een rechtmatig belang van Fortis bij uitstel niet dient te worden beantwoord aan de hand van een door Fortis te verrichten (redelijke) belangenafweging tussen haar eigen belang van geheimhouding en het belang van de beleggers bij openbaarmaking. De rechtmatigheid van het belang tot uitstel van openbaarmaking is namelijk niet afhankelijk van de belangen van de markt, maar van (de oorzaak van) het belang tot uitstel zelf, zo volgt uit de niet-limitatieve opsomming in artikel 14, eerste lid, van het Besluit marktmisbruik Wft (zoals dat luidde tot 1 januari 2009) van situaties waarin sprake is van een rechtmatig belang bij uitstel. Naar het oordeel van de rechtbank had Fortis echter geen rechtmatig belang bij het uitstellen van openbaarmaking van haar subprime positie, omdat zich op 28 augustus 2007 (de datum waarop koersgevoelige informatie ontstond) niet een van de situaties als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het Besluit marktmisbruik Wft (zoals dat luidde tot 1 januari 2009) of een daarmee vergelijkbare situatie voordeed. Doordat Fortis op 21 september 2007 een Trading Update publiceerde en het persbericht inzake de claimemissie van 13 miljard uitbracht, is de rechtbank in navolging van AFM voorts van oordeel dat vanaf die datum van uitstel misleiding van het publiek was te duchten, door het verschil in de informatie die Fortis wel verschafte en hetgeen zij juist achterhield. De rechtbank acht de boeteoplegging tot een totaalbedrag van € 288.000 evenredig aan de ernst van de gedraging en de mate van verwijtbaarheid.
De uitspraak op rechtspraak.nl