Rb. Rotterdam 20 oktober 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BU1355
AFM heeft afzonderlijk een boete opgelegd wegens onzorgvuldige advisering en het niet voldoen aan diploma-eisen. Ne bis in idem. Ook indien de door de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2011 (LJN BM9102) geformuleerde uitgangspunten worden gehanteerd in plaats van de vooral op het feitencomplex gerichte jurisprudentie van het EHRM en het Hof van Justitie, is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van dezelfde feiten. De rechtbank heeft in dit verband in aanmerking genomen dat de gedragingen die hebben geleid tot beboeting ter zake van artikel 4:23 Wft hebben plaatsgevonden binnen de (meeromvattende) periode die in aanmerking is genomen voor de onderhavige boete ter zake van artikel 4:9 lid 2 Wft. Verder heeft AFM de borging van vakbekwaamheid juist nader onderzocht vanwege haar bevindingen ter zake van de adviespraktijk van [B]. Tevens zijn de beschermingsdoelen van beide zorgplichtbepalingen vergelijkbaar, zij liggen althans (grotendeels) in elkaars verlengde. De eisen van een zorgvuldige dienstverlening worden belichaamd in artikel 4:9 lid 2 en artikel 4:23 lid 1 Wft. Beide zorgplichtbepalingen zijn voorts neergelegd in hoofdstuk 4.2 van de Wft. En ten slotte vallen beide overtredingen onder dezelfde boetecategorie (destijds categorie 3).
De uitspraak op rechtspraak.nl