Rb. Rotterdam 8 februari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP3625
DNB heeft een pensioenfonds de aanwijzing gegeven haar beleggingsportefeuille in goud blijvend af te bouwen – afhankelijk van de uiteindelijk samen te stellen assetmix – tot een percentage gelegen tussen 1 en 3%. Hoewel het fonds kan worden nagegeven dat de motivering van het bestreden besluit summier is, is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ter zitting genoegzaam onderbouwd waarom DNB van oordeel is dat het fonds heeft belegd in goud in een mate die een bovenmatige afhankelijkheid als bedoeld in het vijfde lid van artikel 13 van het Besluit financieel toetsingskader pensioenfondsen oplevert. Naar de mening van DNB levert een belegging van 13% van het vermogen in de categorie grondstoffen, waarbij die belegging zich bovendien beperkt tot één grondstof, een bovenmatige afhankelijkheid op van de waardeontwikkeling van die grondstof. DNB wijst er in dit verband op dat pensioenfondsen gemiddeld 2,7% beleggen in de categorie grondstoffen. Voorts wijst zij op de volatiliteit van goud die blijkt uit de door het fonds overgelegde ALM studie. De stelling van het fonds dat goud niet zozeer als grondstof maar als een ruilmiddel moet worden gezien doet naar het oordeel van de voorzieningenrechter, gelet op de sterke volatiliteit ervan, onvoldoende af aan het betoog van DNB.
De uitspraak op rechtspraak.nl