Rb. Rotterdam 1 juli 2010, ECLI:NL:RBROT:2010:BM9940

Naar het oordeel van de rechtbank dient het tweede lid van artikel 13 van de Postregeling 2009 niet los, doch in samenhang te worden gelezen met het eerste lid van dit artikel. Gelet op de samenhang tussen deze artikelleden dient het tweede lid niet zodanig uitgelegd te worden dat eiseres een berekening van de daadwerkelijke kosten voor elk van de onderscheiden postvervoerdiensten zou dienen te maken. Die uitleg strookt ook niet met het feit dat de vaststelling van de eerste starttarieven een kort tijdpad kent om te voldoen aan de wettelijke eis om de tarieven per 1 oktober 2009 vast te stellen en er met betrekking tot de onderscheiden postvervoerdiensten als bedoeld in artikel 16, tweede tot en met vierde lid, van de Postwet 2009 nog geen boekhoudkundige gegevens beschikbaar zijn. De artikelen 13 en 7, eerste lid, aanhef en sub b en c, van de Postregeling 2009 verwijzen immers naar het toerekeningsysteem van de verlener UPD. Naar het oordeel van de rechtbank kan dat niet anders zijn dan het - door verweerder goedgekeurde - toerekeningssysteem 2008. Dat systeem voorziet niet in de toerekening van kosten aan afzonderlijke (categorieën van) diensten binnen de UPD. De rechtbank vindt steun voor zijn oordeel in de parlementaire geschiedenis, nu ook hieruit blijkt dat er sprake is van een overgangsregeling. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres met de informatie die zij heeft overgelegd bij brief van 26 mei 2009 voldaan aan haar verplichting van artikel 13 en 15 van de Postregeling 2009, zodat er geen sprake was van een overtreding door eiseres. Verweerder was derhalve niet bevoegd een last onder dwangsom op te leggen. De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de primaire besluiten te herroepen. Nu de rechtbank heeft geoordeeld dat eiseres de benodigde informatie bij brief van 26 mei 2009 heeft overgelegd, kan het besluit inzake de ongegrondverklaring van het bezwaar van eiseres tegen de weigering van verweerder tijdig de starttarieven vast te stellen - waarbij verweerder heeft overwogen de starttarieven niet vast te kunnen stellen omdat eiseres in gebreke is en blijft de benodigde informatie te leveren - evenmin in stand blijven. Gelet op het overgangsrecht Vierde Tranche Awb heeft verweerder ten onrechte de bezwaren tegen de invorderingsbesluiten in zijn besluitvorming betrokken.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen