Rb. Rotterdam 19 april 2007, ECLI:NL:RBROT:2007:BA3538

Het door het CBb in zijn uitspraak van 27 september 2002 (LJN: AE8688) weergegeven toetsingskader bij vergunningverlening/-weigering voor de concentratie is naar het oordeel van de rechtbank evenzeer relevant bij de daaraan voorafgaande vraag, te weten of er voor het tot stand brengen van de betreffende concentratie een vergunning is vereist. Het bestreden besluit is door de rechtbank dan ook op die wijze getoetst. Verweerder heeft zich bij het nemen van het bestreden besluit voor een groot deel gebaseerd op de overwegingen van de Europese Commissie in haar beschikking in de zaak Sovion/HMG. De Europese Commissie heeft daarbij weliswaar een andere concentratie, maar wel in dezelfde markt beoordeeld. De argumenten die eiseressen in de onderhavige zaak hebben aangevoerd komen overeen met de argumenten die zij bij de Europese Commissie in de zaak Sovion/HMG hebben aangevoerd. Verweerder mag, mede gelet hierop, naar het oordeel van de rechtbank voor de vaststelling van de geografische markt in beginsel uitgaan van de geografische markt zoals deze door de Europese Commissie is vastgesteld, tenzij uit het eigen onderzoek dat verweerder heeft uitgevoerd door middel van gesprekken met marktpartijen, zoals varkenshouders en –handelaren en slachterijen, en gesprekken met en gegevens van derden, zoals onderzoeksinstituten en beleidsorganen, dan wel uit de aangevoerde argumenten van eiseressen zou blijken dat er redenen zijn om daarvan af te wijken. Dat eiseressen tegen de beschikking van de Europese Commissie een procedure tot vernietiging bij het Gerecht van Eerste Aanleg aanhangig hebben gemaakt maakt dit niet anders. De rechtbank stelt vast dat het eigen onderzoek van verweerder de bevindingen van de Europese Commissie bevestigt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het onderhavige geval voldoende gemotiveerd waarom er is gekozen voor de vaststelling van een geografische markt die ruimer is dan Nederland, hetgeen ook bezien in het licht van de door VION geschetste ontwikkeling gaande naar een internationalisering van de markt, in de rede ligt. Eiseressen hebben aangevoerd dat het bestreden besluit afwijkt van het “bestaande beleid”. Van de zijde van verweerder is gesteld dat het gaat om één eerder besluit, te weten in de zaak Dumeco/Sturkomeat. De rechtbank is van oordeel dat geen rechtsregel verweerder verbiedt om de door de Europese Commissie gehanteerde werkwijze te volgen, ook al wijkt deze werkwijze in enige mate af van de eerdere werkwijze in de zaak Dumeco/Sturkomeat. Eiseressen hebben ook op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt dat de eerdere werkwijze, toegepast op onderhavige concentratie, tot een ander eindoordeel van verweerder zou hebben geleid.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen