Rb. Rotterdam 19 juli 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY4888

De afspraken inzake vangstbeperkingen en minimumprijs(garanties) die in het kader van het Trilateraal Overleg zijn gemaakt tussen Nederlandse, Duitse en Deense Producentenorganisaties (PO’s) en garnalenhandelaren, vallen buiten de reikwijdte van Verordening 3759/92 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten en produkten van de aquacultuur en buiten de reikwijdte van Verordening 104/2000 die de eerstgenoemde verordening vervangen heeft. Verordening 1767/2004, waarin de oprichting van een Transnationale Vereniging van PO’s is geregeld doet niets aan deze stelling af, daar deze verordening slechts organisatievormen die alleen uit PO’s (en niet mede uit handelaren) bestaat, aanvaardt. Verweerder kon tevens met voldoende zekerheid stellen dat artikel 2, eerste lid, van Verordening 26 inzake de toepassing van bepaalde regels betreffende de mededinging op de voortbrenging van en de handel in landbouwprodukten niet van toepassing was op het Trilateraal Overleg. De afspraken die de Nederlandse PO’s en handelaren hebben gemaakt om een nieuwe handelaar de toegang tot de markt te belemmeren, vallen evenmin binnen het bereik van de gemeenschappelijke marktordening inzake vis. Voorts heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de afspraken inzake vangstbeperkingen en minimumprijs(garanties) alsmede over het belemmeren van de markttoegang aan een nieuwe handelaar in strijd zijn met artikel 81, eerste lid, van het EG-verdrag en artikel 6, eerste lid, van de Mw. Gezien de niet heldere juridische context waarin de PO’s moesten opereren, kunnen de afspraken van het Trilateraal Overleg niet beschouwd worden als een zeer zware overtreding in de zin van de Richtsnoeren boetetoemeting van verweerder. Op de PO’s rustte echter een plicht om te onderzoeken in hoeverre de afspraken die zij maakten over vangstbeperkingen en prijzen geoorloofd waren. Nu niet gebleken is dat de betrokken PO’s nagegaan hebben of de afspraken van het Trilateraal Overleg op gespannen voet zouden kunnen staan met de mededingingsregels, moeten deze afspraken beschouwd moeten worden als een zware overtreding als bedoeld in de Richtsnoeren boetetoemeting van verweerder. Ten aanzien van de handelaren is de rechtbank evenwel van oordeel dat verweerder hun gedragingen wel terecht als een zeer zware overtreding heeft gekwalificeerd, aangezien aan hen geen marktordenende taken toekomen krachtens de Gemeenschappelijke marktordening inzake vis. Verweerder heeft voorts terecht gesteld dat de jegens de nieuwe handelaar ondernomen acties beschouwd dienen te worden als een zeer ernstige overtreding begaan door de Nederlandse PO’s en de betrokken garnalenhandelaren, nu deze acties een collectieve boycot inhouden. Verweerder dient een nieuwe beslissing op bezwaar omtrent de hoogte van de aan de PO’s opgelegde boetes te nemen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen