Rb. Overijssel 12 oktober 2026, ECLI:NL:RBOVE:2026:6119
Deze uitspraak gaat over de aan eiseres opgelegde verplichting om een inburgeringslening van € 8.848,75 terug te betalen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs die handelt namens de minister. Eiseres is het niet eens met deze verplichting. Zij voert daartoe onder meer aan dat zij een asielstatushouder is, dan wel dat haar status gelijk is aan die van een asielstatushouder, waardoor sprake is van gezinshereniging en zij in aanmerking komt voor kwijtschelding van de inburgeringslening. De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheid dat de status van eiseres gelijk is aan die van een asielstatushouder en een evenredigheidsbeoordeling daarmee ten onrechte ontbreekt. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 22/1455
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats],
(gemachtigde: mr. J.M.M. Pater),
hierna: [eiseres]
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (de Dienst Uitvoering Onderwijs),
hierna: de minister.
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de aan [eiseres] opgelegde verplichting om een inburgeringslening van € 8.848,75 terug te betalen aan de Dienst Uitvoering Onderwijs die handelt namens de minister. [eiseres] is het niet eens met deze verplichting. Zij voert daartoe onder meer aan dat zij een asielstatushouder is, dan wel dat haar status gelijk is aan die van een asielstatushouder, waardoor sprake is van gezinshereniging en zij in aanmerking komt voor kwijtschelding van de inburgeringslening. Aan de hand hiervan beoordeelt de rechtbank of de minister terecht heeft beslist dat [eiseres] de inburgeringslening moet terugbetalen.
1.1 De rechtbank oordeelt dat de minister in het bestreden besluit geen rekening heeft gehouden met de bijzondere omstandigheid dat de status van [eiseres] gelijk is aan die van een asielstatushouder en een evenredigheidsbeoordeling daarmee ten onrechte ontbreekt. [eiseres] krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en procesverloop
2.1 [eiseres] is vanaf 13 juni 2018 inburgeringsplichtig in de zin van de Wet inburgering (Wi). Zij heeft een lening aangevraagd voor haar inburgeringstraject.
2.2 Met het besluit van 9 november 2018 heeft de minister een lening verstrekt van maximaal € 10.000,- aan [eiseres] voor zolang zij inburgeringsplichtig is.
2.3 [eiseres] heeft op 25 februari 2022, binnen de gestelde inburgeringstermijn, haar inburgeringsdiploma ontvangen.
2.4 Met het besluit van 19 april 2022 (het primaire besluit) heeft de minister aan [eiseres] de verplichting opgelegd om vanaf 1 oktober 2022 de lening van € 8.286,25 terug te betalen.
2.5 Met het besluit van 1 juli 2022 (het bestreden besluit) op het bezwaar van [eiseres] is de minister bij het primaire besluit gebleven.
2.6 [eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft hierop gereageerd met een verweerschrift.
2.7 Met het besluit van 15 september 2022 heeft de minister het bedrag van de lening bijgesteld naar € 8.848,75 vanwege nieuwe facturen. Het beroep ziet mede op dit besluit.
2.8 Bij brief van 17 april 2023 heeft de rechtbank aan partijen laten weten onderhavige zaak aan te houden totdat het Hof van Justitie (hierna: het Hof) de prejudiciële vragen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) heeft beantwoord over de verenigbaarheid van de Wet inburgering 2013 (Wi) met de Europese Kwalificatierichtlijn.
2.9 Het Hof heeft de prejudiciële vragen beantwoord bij arrest van 4 februari 2025, Keren (ECLI:EU:C:2025:52) en de Afdeling heeft vervolgens op 9 juli 2025 uitspraak gedaan (ECLI:NL:RVS:2025:3087).
2.10 Bij brief van 17 juli 2025 heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven wat deze rechtspraak volgens hen betekent voor de onderhavige zaak. Bij brief van 13 augustus 2025 heeft de minister hierop gereageerd en bij brief van 28 augustus 2025 heeft [eiseres] hierop gereageerd.
2.11 De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2026 op zitting behandeld. Hierbij was [eiseres] aanwezig bijgestaan door haar gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam 1].
Beoordeling door de rechtbank
3 De rechtbank toetst of de minister op goede gronden heeft besloten dat [eiseres] verplicht is de inburgeringslening terug te betalen. Zij doet dat aan de hand van het beroepschrift van [eiseres].
3.1 De voor de uitspraak relevante regelgeving is te vinden in de bijlage bij deze uitspraak.
Moet de inburgeringslening worden terugbetaald?
4. [eiseres] voert aan dat haar verblijfsvergunning is gebaseerd op het verblijf van haar zoon [naam 2] die een verblijfsvergunning asiel heeft, waardoor er sprake is van gezinshereniging / nareis en wordt voldaan aan de voorwaarden voor kwijtschelding van de lening. Ter onderbouwing verwijst zij naar negen documenten uit haar dossier bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). [eiseres] is dus een asielstatushouder, of in ieder geval is haar status gelijk aan die van een asielstatushouder. Hierdoor is het arrest Keren en de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3087) ook voor haar van betekenis.
5. De minister is van mening dat [eiseres] niet voldoet aan de voorwaarden omdat haar verblijf is gebaseerd op het verblijf van haar man [naam 3], die net als zij een reguliere verblijfsvergunning heeft. [eiseres] is geen asielstatushouder waardoor het arrest Keren en de bedoelde uitspraak van de Afdeling geen betekenis hebben.
6. De rechtbank overweegt hierover het volgende.
6.1 In artikel 16, derde lid, van de Wi staat dat de lening voor de inburgering moet worden terugbetaald. De wetgever heeft uitzonderingen gemaakt op grond waarvan de lening niet hoeft worden terugbetaald. In artikel 4.1a, derde lid, van het Bi staat dat asielstatushouders en nareizende gezinsleden onder bepaalde omstandigheden vrijgesteld zijn van terugbetaling van de lening voor inburgering.
6.2 [eiseres] heeft een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Uit het verblijfsdocument blijkt dat haar verblijf is gebaseerd op het verblijf van haar man [naam 3] die ook beschikt over een reguliere verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] daarmee formeel een gezinsmigrant en géén asielstatushouder is.
6.3 In de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3087 r.o. 10.5) staat dat uit het arrest Keren volgt dat het Nederlandse systeem waarbij asielstatushouders al dan niet via een lening zelf de volledige kosten van inburgeringscursussen en -examens dragen, in strijd is met de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling stelt in de uitspraak van 27 mei 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:3045 r.o. 5.3 en 5.4) vast dat het niet mogelijk is deze overwegingen uit het arrest Keren een-op-een toe te passen op gezinsmigranten. Gezinsmigranten bevinden zich in beginsel namelijk niet in dezelfde positie als asielstatushouders. Daarom mogen lidstaten van gezinsmigranten andere verwachtingen hebben en van hen verlangen dat zij de kosten voor hun inburgeringscursus betalen. In zoverre is de terugbetalingsverplichting voor gezinsmigranten niet in strijd met het Unierecht.
6.4 Wel stelt de Afdeling in r.o. 5.5 en 5.6 van de hiervoor genoemde uitspraak vast dat uit de rechtspraak van het Hof volgt dat de minister een Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling moet verrichten, waarbij hij afweegt of de bijzondere individuele omstandigheden van een gezinsmigrant maken dat hij de lening, al dan niet gedeeltelijk, moet kwijtschelden. De minister dient de regels over terugbetaling buiten toepassing te laten, wanneer die toepassing in een bijzonder geval zo nadelige gevolgen heeft dat die onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
6.5 De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit géén blijk heeft gegeven van een evenredigheidsbeoordeling zoals hierboven uiteengezet, terwijl hij daartoe wel verplicht was. In plaats daarvan heeft de minister het bezwaar van [eiseres] kennelijk ongegrond verklaart en onder meer aangegeven dat de Wi geen mogelijkheid geeft om in bijzondere omstandigheden een uitzondering te maken. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel uit artikel 3:2 respectievelijk 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank zal het bestreden besluit en het besluit van 15 september 2022 om deze reden vernietigen en de minister opdragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
6.6 Bij het opnieuw te nemen besluit op bezwaar dient de minister in het kader van de alsnog te maken evenredigheidsbeoordeling in elk geval gemotiveerd in te gaan op de vraag of de positie van [eiseres] vergelijkbaar is met de kwetsbare positie van een asielstatushouder en de positie van haar echtgenoot, die zijn lening niet hoeft terug te betalen, omdat hij wel aan de criteria daarvoor voldoet. [eiseres] is immers, zo is onweersproken gesteld, samen met haar echtgenoot vanuit Syrië naar Nederland gekomen. Het verblijf van de echtgenoot is weliswaar gebaseerd op dat van hun zoon, die al eerder naar Nederland is gekomen en asielstatushouder is en dat van [eiseres] niet, maar dit verschil maakt in dit geval niet zonder meer dat [eiseres] zich feitelijk in een andere positie bevindt.
Conclusie en gevolgen
7.1 Het beroep is gegrond, omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel uit artikel 3:2 respectievelijk 7:12 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en het besluit van 15 september 2022 waarin het terug te betalen bedrag is vermeerderd.
7.2 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
7.3 Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan [eiseres] vergoeden en krijgt [eiseres] ook een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,- (1 punt indienen beroepschrift en 1 punt verschijnen ter zitting).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 1 juli 2022 en dat van 15 september 2022;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat de minister het griffierecht van € 50,- aan [eiseres] moet vergoeden;
veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan [eiseres].
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.P.K. van Rosmalen, rechter, in aanwezigheid van
mr. B.A.G. Bulte, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn)
Artikel 34
Teneinde de integratie van personen die internationale bescherming genieten in de samenleving te vergemakkelijken, bieden de lidstaten toegang tot integratieprogramma's welke zij passend achten om rekening te houden met de specifieke behoeften van personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, of zorgen zij voor de omstandigheden waaronder de toegang tot dergelijke programma's gewaarborgd is.
Wet inburgering 2013
Artikel 16
1.Onze Minister verstrekt op aanvraag een lening aan de inburgeringsplichtige indien is voldaan aan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels omtrent de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de lening wordt verstrekt en omtrent het volgen bij een cursusinstelling van een cursus die opleidt tot het inburgeringsexamen, of een diploma, certificaat of ander document, bedoeld in artikel 5, eerste lid, onderdeel c. Aanspraak op een lening bestaat niet of niet langer voor de inburgeringsplichtige die na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 7a, eerste, lid, of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, of bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, gestelde regels verlengde termijn de participatieverklaring niet heeft ondertekend.
[…]
3 De inburgeringsplichtige of gewezen inburgeringsplichtige betaalt de lening vermeerderd met de volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels berekende rente terug.
4 Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur worden tevens regels gesteld omtrent:
a. de hoogte van de lening;
b. de betaling en de terugbetaling van de lening, en
c. kwijtschelding.
Besluit inburgering 2013
Artikel 4.1a
1.Aan de inburgeringsplichtige kan, behoudens het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de wet op aanvraag een lening van ten hoogste € 10.000,– worden verstrekt ten behoeve van de kosten voor:
a.het volgen van een cursus die opleidt tot de in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet bedoelde onderdelen van het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II als bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel c, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;
b.het afleggen van het staatsexamen, bedoeld in onderdeel a, of het inburgeringsexamen; of
c.het volgen van een alfabetiseringscursus.
2 De hoogte van de lening wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het overeenkomstig artikel 8, eerste, tweede, derde en vijfde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen te berekenen toetsingsinkomen van de inburgeringsplichtige en diens partner als bedoeld in artikel 3 van die wet.
3.Het tweede lid is niet van toepassing op de inburgeringsplichtige, bedoeld in het eerste lid, die rechtmatig verblijf heeft op grond van een:
a.verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd; of
b.verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, verleend onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid, voor verblijf bij:
1°.een houder van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd,
2°.een houder van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, of
3°.een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen die is verleend met een aantekening inzake internationale bescherming als bedoeld in artikel 45c, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.De lening ten behoeve van het volgen van een cursus wordt slechts verstrekt indien de inburgeringsplichtige een cursus volgt bij een cursusinstelling die in het bezit is van een certificaat als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de wet of een keurmerk als bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de wet.
5.De lening wordt niet verstrekt, indien de inburgeringsplichtige op grond van artikel 4.1 zoals dat luidde voor het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit van 25 september 2012 tot wijziging van het Besluit inburgering en enkele andere besluiten in verband met de versterking van de eigen verantwoordelijkheid van de inburgeringsplichtige (Stb. 2012, 432) een lening is verstrekt en deze nog niet geheel is terugbetaald of kwijtgescholden.
6.Bij regeling van Onze Minister kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van het eerste, tweede en vierde lid.
Artikel 4.13
1 De schuld kan op verzoek van de inburgeringsplichtige door Onze Minister in bij regeling van Onze Minister aan te wijzen gevallen geheel of gedeeltelijk worden kwijtgescholden.
2 […]
3 Aan vreemdelingen als bedoeld in artikel 4.1a, derde lid, die op of na 1 januari 2013 inburgeringsplichtig zijn geworden, wordt volledige kwijtschelding van de schuld ambtshalve verleend indien:
a. het participatieverklaringstraject, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdeel a, van de wet, is afgerond en de onderdelen van het inburgeringsexamen, bedoeld in artikel 7, tweede lid, onderdelen b en c, van de wet, zijn behaald;
b. een vrijstelling van de inburgeringsplicht van toepassing is op grond van artikel 5 van de wet; of
c. ontheffing is verleend van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 6, eerste tot en met derde lid, van de wet.
4 De kwijtschelding, bedoeld in het derde lid, wordt slechts verleend indien de omstandigheid, bedoeld in onderdeel a, b of c, zich heeft voorgedaan binnen de termijn, genoemd in artikel 7a, eerste lid, van de wet respectievelijk de termijn, genoemd in artikel 7b, eerste lid, van de wet of de met toepassing van artikel 7a, derde lid, van de wet respectievelijk artikel 7b, derde lid, van de wet of de bij of krachtens artikel 8, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de wet verlengde termijn.